Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV1030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
10-6864 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. Maatman. Geen reden om de - als nieuw aangemerkte - informatie aanleiding te zien om het eerder ingenomen standpunt te herzien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan alleen dan het werkgeversaandeel in de pensioen- en vutpremie worden meegenomen in het maatmanloon, indien de werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk. Gezien de unieke positie van [naam bedrijf] moet de vraag of de werkgever een meer dan in de bedrijfstak gebruikelijke bijdrage in de pensioenpremie heeft geleverd ontkennend worden beantwoord, omdat [naam bedrijf] als uniek bedrijf in dit kader als één eigenstandige bedrijfstak dient te worden aangemerkt. Nu sprake is van één bedrijfstak is een vergelijking met pensioenregelingen bij andere bedrijven binnen diezelfde bedrijfstak niet aan de orde is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6864 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Spanje (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2010, 09/4443 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2011. Voor appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 oktober 1988 is de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant met ingang van 1 augustus 1998 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij besluit van 26 juni 2003 heeft het Uwv appellants verzoek om terug te komen van het besluit van 13 oktober 1988 afgewezen.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 22 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juni 2003 opnieuw ongegrond verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 23 april 2009, 08/2202, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv ten onrechte geen onderzoek heeft ingesteld naar de vraag of de werkgever meer pensioen- en vutpremie dan in de bedrijfstak gebruikelijk voor zijn rekening heeft genomen. In deze uitspraak is door partijen berust. De rechtbank heeft - naast bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 22 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2. Bij besluit van 18 augustus 2009 (verder: bestreden besluit) is het bezwaar andermaal ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de conclusie van bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst in diens rapport van 11 juli 2009, dat het werkgeversaandeel in de pensioenpremie niet bij het maatmaninkomen betrokken moet worden, onderschreven. Daarbij is overwogen dat [naam bedrijf] een eigen bedrijfstak vormde, zodat vergelijking met pensioenpremieregelingen bij bedrijven in de overige metaalindustrie niet aan de orde was.

4. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant - naast herhaling van de eerder in beroep geformuleerde gronden - onder meer aangevoerd dat maatgevend is of de werknemer voordeel heeft gehad ten opzichte van wat in de branche gebruikelijk is. Appellant had - zoals alle werknemers bij [naam bedrijf] - een duidelijk voordeel uit het emolument pensioen- en vutpremie ten opzichte van andere werknemers wegens de vergoeding die [naam bedrijf] voor zijn rekening nam. Verdiscontering daarvan in het maatmaninkomen leidt tot een hogere klasse-indeling dan de klasse 35 tot 45% waarnaar de WAO-uitkering per 1 augustus 1988 was berekend.

5. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het Uwv in de - als nieuw aangemerkte - informatie aanleiding had behoren te zien het eerder ingenomen standpunt te herzien. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan alleen dan het werkgeversaandeel in de pensioen- en vutpremie worden meegenomen in het maatmanloon, indien de werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 4 april 2003

(LJN AF7653) en 7 april 2010 (LJN BM0834).

5.2. Het Uwv heeft in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 juli 2009 gewezen op de bijzondere positie die [naam bedrijf] in Nederland heeft ingenomen. Gewezen is op de eigen CAO van [naam bedrijf], alsmede op het eigen pensioenfonds dat specifiek voor werknemers van [naam pensioenfonds], waarin in 1988 ten aanzien van de pensioenbijdrage voor de werknemers een gunstige regeling was opgenomen.

5.3. De Raad is met het Uwv van oordeel dat gezien de unieke positie van [naam bedrijf], de vraag of de werkgever een meer dan in de bedrijfstak gebruikelijke bijdrage in de pensioenpremie heeft geleverd ontkennend moet worden beantwoord, omdat [naam bedrijf] als uniek bedrijf in dit kader als één eigenstandige bedrijfstak dient te worden aangemerkt. De Raad onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarin het standpunt van het Uwv ter zake werd gevolgd dan ook volledig. De Raad is van oordeel dat nu er van moet worden uitgegaan dat sprake is van één bedrijfstak een vergelijking met pensioenregelingen bij andere bedrijven binnen diezelfde bedrijfstak niet aan de orde is. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) I.J. Penning.

KR