Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
10-6274 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling vermogen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van rechtsgevolg. Dat het mogelijk is om op een later tijdstip, wanneer de vermogensvaststelling manifest wordt, bezwaar te maken, betekent niet dat de vermogensvaststelling niet meteen bij aanvang van de bijstand aan de orde gesteld kan worden. Vernietiging aangevallen uitspaak en vernietiging bestreden besluit. Het College de waarde van de aan appellant in eigendom toebehorende bouwgrond terecht vastgesteld op € 25.000,--. Bezwaar ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6274 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 oktober 2010, 10/1 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant op 25 oktober 2011 gereageerd op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Voor appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, is verschenen mr. Kaya. Het College, daartoe ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, heeft zich laten vertegenwoordigen door N.H. Wichard, werkzaam bij de gemeente Almelo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 1988 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het College de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 4 juni 2007 ingetrokken, omdat appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A.B.], en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 100.721,19 van hen beiden teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Op 7 oktober 2008 heeft appellant het College verzocht om herziening van het besluit van 7 augustus 2007. Dit verzoek is afgewezen. In de zaak over dit herzieningsverzoek, 11/1622, doet de Raad heden afzonderlijk uitspraak.

1.2. Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft het College aan appellant met ingang van

17 juli 2007 opnieuw bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij is het vermogen voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 100.310,12 (negatief), in afwachting van een onderzoek naar de waarde van onroerend goed van appellant in Turkije.

1.3. Dat onderzoek is ingesteld door het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Ankara, Turkije (hierna: ambassade). In het onderzoeksverslag van 18 november 2008 heeft de ambassade vastgesteld dat appellant sinds 17 november 1994 eigenaar is van een perceel bouwgrond van 103,05 m², gelegen in de wi[C.]] van de deelgemeente [D.] van de stad [E.]. Een makelaar heeft de waarde van het perceel bouwgrond getaxeerd op € 25.000,--.

1.4. Bij besluit van 12 augustus 2009 heeft het College, uitgaande van een waarde van het onroerend goed van appellant in Turkije van € 25.000,--, het vermogen van appellant bij de aanvang van de bijstand op 17 juli 2007 definitief vastgesteld op € 75.310,12 (negatief).

1.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en aangevoerd dat de waarde van het stuk grond € 6.000,-- à € 6.500,-- bedraagt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een verklaring overgelegd van het dorpshoofd van de wijk [C.]. Naar de mening van appellant heeft de door de ambassade ingeschakelde makelaar een summiere taxatie verricht en spreekt deze zichzelf tegen, door enerzijds te stellen dat de waarde van de grond laag is, omdat deze ligt in een doodlopende straat, en anderzijds dat positieve factoren voor de waarde van de grond zijn dat deze in het stadscentrum ligt waar veel vervoersmogelijkheden zijn. Appellant heeft er verder op gewezen dat de waarde van het onroerend goed voor de onroerende zaaksbelasting blijkens het onderzoeksverslag € 823,43 bedraagt.

1.6. Bij besluit van 2 november 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2009 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de vaststelling van het vermogen op € 75.310,12 (negatief) niet is gericht op rechtsgevolg, aangezien deze vaststelling geen consequenties heeft voor het recht van appellant op bijstand, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 november 2009 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is pas dan sprake van een besluit indien de vermogensvaststelling consequenties heeft voor het recht op bijstand.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Naar zijn mening is met het besluit van 12 augustus 2009 onder meer vastgesteld dat hij beschikt over een vermogen van € 25.000,--. Dit kan gevolgen hebben voor zijn recht op bijstand zowel voor het verleden als in de toekomst en is dus wel op rechtsgevolg gericht.

3.2. Het College heeft zich, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 6 juli 2010, LJN BN1629, in zijn verweerschrift subsidiair op het standpunt gesteld dat het besluit van 12 augustus 2009 wel dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en heeft nader gemotiveerd waarom de waarde van het onroerend goed in Turkije van appellant op € 25.000,-- dient te worden gewaardeerd.

3.3. In zijn reactie van 25 oktober 2011 heeft appellant zijn standpunt over de waardebepaling van het onroerend goed in Turkije nader toegelicht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet langer in geschil en ook voor de Raad staat vast, dat het besluit van 12 augustus 2009, waarbij het vermogen van appellant bij aanvang van de bijstand definitief is vastgesteld op € 75.310,12 (negatief) op rechtsgevolg is gericht. De Raad verwijst in dit verband naar zijn onder 3.2 vermelde uitspraak van 6 juli 2010, LJN BN1629. Dat het op grond van de rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 27 april 2010, LJN BM3513, mogelijk is om op een later tijdstip, wanneer de vermogensvaststelling manifest wordt, bezwaar te maken, betekent niet dat de vermogensvaststelling niet meteen bij aanvang van de bijstand aan de orde gesteld kan worden. Temeer niet, nu het na verloop van tijd veelal moeilijker zal zijn om aan de hand van objectieve verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat een eerdere vermogensvaststelling onjuist was. Het besluit van 2 november 2009 komt dan ook in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de wet en ook de aangevallen uitspraak, waarbij de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2009 in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

4.2. De Raad heeft zich vervolgens beraden over de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad thans een oordeel geven over de vraag die partijen verdeeld houdt, te weten of het College de waarde van de aan appellant in eigendom toebehorende bouwgrond terecht heeft vastgesteld op € 25.000,--.

4.3. Naar het oordeel van de Raad dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Blijkens het onderzoeksverslag van de ambassade is de grond, waarop een gebouw met twee verdiepingen mag worden gebouwd, bezocht door een makelaar die daarvan een taxatierapport heeft opgesteld. In dit rapport is de waarde van de grond op voldoende inzichtelijke wijze vastgesteld. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de makelaar zichzelf zou tegenspreken, nu deze juist met zowel waardeverminderende als met waardevermeerderende factoren rekening heeft gehouden. Appellant heeft zijn aanname, dat het taxatieverzoek van de ambassade een prijsopdrijvend effect heeft gehad, niet onderbouwd. De Raad acht dat ook niet aannemelijk, aangezien de medewerkers van de ambassade zich als zodanig bekend hebben gemaakt en zich niet als Europese kopers hebben voorgedaan. De door appellant overgelegde verklaring van het dorpshoofd van de wijk [C.] kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. De verklaring is ongedateerd, zodat niet kenbaar is op welke periode de waardebepaling ziet, en niet aannemelijk is gemaakt dat het dorpshoofd een deskundige is ter zake van de waardebepaling van onroerend goed. Bovendien is de verklaring niet inzichtelijk, nu daarin zowel is vermeld dat de grond leeg zal blijven, als dat er een huis op gebouwd kan worden. Aan de omstandigheid, ten slotte, dat de waarde voor de onroerende zaaksbelasting aanzienlijk lager was bepaald, kan niet de betekenis worden toegekend die appellant daaraan wil geven nu het, zoals de gemachtigde van het College ter zitting ook naar voren heeft gebracht, algemeen bekend is dat deze waarde in Turkije niet overeenkomt met de marktwaarde van het onroerend goed in het economisch verkeer. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 20 april 2010, LJN BM2932 en wijst op de door het dorpshoofd opgegeven waarde van het perceel bouwgrond van appellant.

4.4. Gelet op het onder 4.3 overwogene ziet de Raad aanleiding om, met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2009 ongegrond te verklaren.

5. De Raad zal het College veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 november 2009;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2009 ongegrond;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 november 2009;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

I. Mos.

De griffier is buiten staat te tekenen.

HD