Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
11-1622 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. Geen sprake van een nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1622 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 26 januari 2011, 10/233 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Voor appellant is verschenen mr. Kaya. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door N.H. Wichard, werkzaam bij de gemeente Almelo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 1 maart 1988 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand, naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 1 juli 1997 tot en met 4 juni 2007 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 100.721,19 op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [D.], zijn ex echtgenote. Bij het besluit van 29 januari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

1.2. Appellant heeft bij brief van 7 oktober 2008 het College verzocht om herziening van het besluit van 7 augustus 2007.

1.3. Het College heeft dit verzoek bij besluit van 21 november 2008 afgewezen.

1.4. Bij besluit van 16 december 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 december 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Met verwijzing naar getuigenverklaringen van 4 september 2007 heeft hij aangevoerd dat het besluit van 7 augustus 2007 op onvolledige en incorrecte gegevens berust. Voorts heeft hij gewezen op een vonnis van de politierechter van 18 januari 2010, waarbij de politierechter zou hebben geoordeeld dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding met [D.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

4.2. Hetgeen appellant heeft aangevoerd over de onvolledige gegevens die het College aan het besluit van 7 augustus 2007 ten grondslag zou hebben gelegd kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het gaat om argumenten, die appellant samen met de getuigenverklaringen van 4 september 2007 naar voren had kunnen brengen in een tijdig ingediend bezwaarschrift tegen het besluit van

7 augustus 2007.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant niet bij zijn herzieningsverzoek, maar pas voor het eerst in beroep bij de rechtbank heeft gewezen op het vonnis van de politierechter en dat hij dat vonnis niet heeft overgelegd, zodat reeds op deze gronden geen sprake kan zijn van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) J.N.A. Bootsma.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

HD