Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
10-5072 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Primair wegens ongeschiktheid anders dan door ziekte of gebrek, subsidiair wegens een verstoorde arbeidsrelatie. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de feiten blijkt van (zeer) onwenselijk gedrag van betrokkene, maar dat die gedragingen onvoldoende zwaarwegend zijn om te concluderen tot ongeschiktheid. Hoewel zeker niet is uitgesloten dat ook in privé-gedrag aanwijzingen kunnen zijn gelegen voor ongeschiktheid voor de functie, is dat hier niet het geval. De rechtbank heeft ook de subsidiaire ontslaggrond terecht als onhoudbaar aangemerkt. Samenwerkingsproblemen komen uit het dossier met name naar voren tussen betrokkene en zijn toenmalige leidinggevende. Deze leidinggevende was ten tijde van het ontslagbesluit niet meer als zodanig werkzaam. Van een onherstelbaar verstoorde verhouding met anderen op de afdeling is op grond van de stukken niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5072 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 juli 2010, 08/3328 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bijgestaan door ir. R. van den Hoek, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S.M.M. Teklenburg, advocaat te Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was werkzaam als [functie] bij de afdeling parkeerbedrijf van de gemeente Eindhoven. In mei 2004 is onenigheid ontstaan over de werkplek van betrokkene en is hij uitgevallen met spanningsklachten. Volgens de bedrijfsarts was geen sprake van medische arbeidsongeschiktheid, maar van een arbeidsconflict. Een besluit de bezoldiging van betrokkene te staken wegens de weigering te voldoen aan de opdracht het werk te hervatten heeft geen stand gehouden, omdat - kort gezegd - niet gehandeld was overeenkomstig de adviezen van de arbodienst om eerst te zoeken naar oplossingen alvorens betrokkene te laten hervatten (CRvB 20 maart 2008, LJN BC8573). Betrokkene heeft zijn werkzaamheden per 1 december 2004 hervat.

1.2. In de loop van 2005 werd duidelijk dat het garagebeheer zou worden overgenomen door Parkeer Management Nederland (PMN) en dat de functie van betrokkene als gevolg daarvan zou komen te vervallen. Betrokkene wenste niet te worden gedetacheerd naar PMN. Op 6 juni 2005 heeft een gesprek plaatsgevonden over alternatieve arbeid als beheerder fietsenstalling. Betrokkene is de keuze gelaten tussen dit alternatief of detachering als [functie] bij PMN. Aangezien betrokkene niets van zich liet horen zijn hem de werkzaamheden als [functie] opgedragen met ingang van 13 juni 2005.

1.3. Betrokkene heeft daaraan niet voldaan, omdat hij met ingang van 7 juni 2005 in voorlopige hechtenis zat. Betrokkene is strafrechtelijk veroordeeld voor een zedendelict en mishandeling. Hij is met ingang van 14 maart 2006 ontslagen uit detentie. Bij besluit van 6 maart 2006 is hem strafontslag verleend wegens, kort gezegd, doorgaand agressief gedrag ten opzichte van een collega, de verzuimcoördinator, en in zijn privé-situatie. Daarnaast is betrokkene verweten dat hij zonder geldige reden niet op zijn werk is verschenen. Nadat dit besluit was geschorst door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (12 juni 2006, 06/2132) heeft appellant in november 2007 het strafontslag ingetrokken en het voornemen uitgesproken betrokkene ontslag te verlenen, primair wegens ongeschiktheid anders dan door ziekte of gebrek, subsidiair wegens een verstoorde arbeidsrelatie.

1.3. Aan dit voornemen is uitvoering gegeven bij besluit van 31 januari 2008, waarbij betrokken is ontslagen per 15 februari 2008. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 augustus 2008 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft nog geen uitvoering gegeven aan die opdracht, maar tracht betrokkene te herplaatsen.

3. Aan het ongeschiktheidsontslag is ten grondslag gelegd dat betrokkene door houding en gedrag niet geschikt is voor de functie van [functie]. De rechtbank heeft daarover geoordeeld dat uit de feiten blijkt van (zeer) onwenselijk gedrag van betrokkene, maar dat die gedragingen onvoldoende zwaarwegend zijn om te concluderen tot ongeschiktheid.

3.1. De Raad onderschrijft dat oordeel. Uit de gedingstukken komt naar voren dat betrokkene, die sinds 1980 werkzaam is in gemeentelijke dienst, weliswaar niet altijd gemakkelijk in de omgang is (geweest), maar dat sprake is van doorgaand agressief gedrag, zoals door appellant gesteld, ziet de Raad daarin niet bevestigd. Uit de verklaringen van betrokkenes toenmalige leidinggevende [toenmalige leidinggevende], bevestigd door collega [naam collega], valt af te leiden dat betrokkene zich ernstig heeft misdragen tijdens een gesprek in april 2004. Betrokkene heeft zich tijdens dat gesprek opgewonden, geschreeuwd, gegooid met spullen door de kantoorruimte en de indruk gewekt over te zullen gaan tot lijfelijk geweld. Uiteindelijk is betrokkene scheldend vertrokken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het meer in de rede had gelegen hiertegen corrigerend en disciplinair op te treden dan deze gedraging kenmerkend te achten voor de beweerdelijke ongeschiktheid van betrokkene. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant weliswaar steeds spreekt over doorgaand agressief gedrag van betrokkene, maar dat naast dit incident en een grote mond tegen de verzuimcoördinator, geen concrete voorbeelden van vergelijkbaar gedrag worden genoemd en onderbouwd. Aldus blijft het bij enkel stellen en wordt niet voldaan aan de voorwaarden die in de rechtspraak aan een ongeschiktheidsontslag worden gesteld, te weten dat de ongeschiktheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar (CRvB 19 maart 2009, LJN BH8722).

3.2. In dat verband acht de Raad van groot belang dat met name niet is gebleken van enig incident, nadat betrokkene per 1 december 2004 zijn werkzaamheden had hervat. Hij is kennelijk zonder noemenswaardige problemen werkzaam geweest tot juni 2005, toen hij in voorlopige hechtenis werd genomen. Tot maart 2006 heeft betrokkene niet gewerkt als gevolg van zijn detentie en ook nadien is hij niet meer tewerk gesteld. Ook daarom kan niet worden volgehouden dat voorafgaand aan zijn ontslag per 15 februari 2008 sprake is geweest van doorgaande agressie.

3.3. De Raad onderschrijft eveneens de vaststelling van de rechtbank dat de veroordeling van betrokkene voor geweld- en zedendelicten, gepleegd in de relationele sfeer, niet in verband staat met de werkkring van betrokkene. Hoewel zeker niet is uitgesloten dat ook in privé-gedrag aanwijzingen kunnen zijn gelegen voor ongeschiktheid voor de functie, is dat hier niet het geval. De functie van beheerder parkeergarage is ook naar het oordeel van de Raad niet aan te merken als een publieksfunctie. Vast staat dat betrokkene zijn functie als zodanig goed uitoefent. Van agressie tegen parkeerders of collega-beheerders is niet gebleken. Zoals de rechtbank overwoog, kan daarom in de strafrechtelijke veroordeling geen rechtvaardiging worden gezien voor het verlenen van ongeschiktheidsontslag.

4. De rechtbank heeft ook de subsidiaire ontslaggrond als onhoudbaar aangemerkt. De Raad volgt de rechtbank ook daarin. Samenwerkingsproblemen komen uit het dossier met name naar voren tussen betrokkene en zijn toenmalige leidinggevende [toenmalige leidinggevende] Nog daargelaten dat ook de Raad diens brief van 2 april 2003 minst genomen ongelukkig acht, van een onherstelbaar verstoorde verhouding met anderen op de afdeling is op grond van de stukken niet gebleken. Genoemde leidinggevende was bovendien ten tijde van het ontslagbesluit niet meer als zodanig werkzaam. Eventuele morele verontwaardiging van collega’s over de door betrokkene begane misdrijven, wat daar ook van zij, kan niet dienen als voldoende onderbouwing van onwerkbare verhoudingen of een ontstane impasse.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De Raad ziet voorts aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 448,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.M. Crombach.

IJ