Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
10/1124 WWB + 10/1125 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Terugvordering. Gezamenlijke huishouding. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van de Commissie dat appellanten hun hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad. Appellanten moeten worden gehouden aan de eerder door hen afgelegde verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1124 WWB

10/1125 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante) en [Appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 januari 2010, 09/2285 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 27 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. T. van Riel, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2011. Namens appellanten is verschenen mr. Van Riel. De Commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.J. Spronk, werkzaam bij de gemeente Breda.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 26 augustus 1992 bijstand naar de norm voor een

alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding, inhoudende dat appellante samenwoont met appellant, heeft de afdeling Fraudebestrijding van de directie Sociale Zaken van de gemeente Breda (hierna: afdeling Fraudebestrijding) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie ingewonnen bij diverse instanties en bedrijven, zijn waarnemingen verricht bij de woning van appellante, is een huisbezoek aan de woning van appellante afgelegd, zijn getuigen gehoord en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport van 19 september 2008. Daarin is geconcludeerd dat appellanten vanaf medio 1996 een gezamenlijke huishouding voeren in de woning van appellante.

1.3. Bij besluit van 21 november 2008 heeft de Commissie de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2008 ingetrokken op de grond dat zij in die periode, zonder bij de Commissie daarvan melding te maken, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant. Voorts zijn de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand over die periode tot een bedrag van in totaal € 153.164,67 van haar teruggevorderd. Bij hetzelfde besluit heeft de Commissie dit bedrag mede van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 22 april 2009 heeft de Commissie het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 21 november 2008 in zoverre gegrond verklaard dat de ingangsdatum van de intrekking van de bijstand nader is vastgesteld op 2 september 1997, de geboortedatum van het jongste kind van appellante dat door appellant is erkend. De Commissie heeft bij de vaststelling dat sprake is van een gezamenlijke huishouding toepassing gegeven aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Het bedrag tot (mede) terugvordering is nader vastgesteld op € 152.280,54.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 april 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten op 2 september 1997 een kind is geboren dat door appellant is erkend, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de Commissie dat appellanten in de periode van 2 september 1997 tot en met 31 augustus 2008 hun hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad. De Raad hecht in het bijzonder betekenis aan de eensluidende verklaringen die appellanten tijdens hun verhoor op 18 september 2008 tegenover ambtenaren van de afdeling Fraudebestrijding hebben afgelegd. Appellant heeft verklaard dat hij sinds 1996 het merendeel van de tijd bij appellante verblijft en dat hij bij haar zijn hoofdverblijf heeft. Daarbij heeft appellant vermeld dat er perioden waren dat hij niet bij Jolanda (appellante) was; dat was als zij ruzie hadden, dan sliep hij een paar dagen bij zijn ouders. Appellante heeft verklaard dat appellant in 1996 bij haar is ingetrokken en sindsdien bij haar woont. Voorts heeft zij verklaard dat als zij en [naam appellant] (appellant) ruzie hadden, hij naar vrienden ging of op straat verbleef en dat hij na een paar dagen weer bij haar terugkwam. Appellant heeft verklaard dat de meeste van zijn spullen bij appellante lagen en appellante heeft bevestigd dat zijn spullen vanaf 1996 in haar woning liggen. Appellanten hebben het verslag van het verhoor, nadat het was voorgelezen, ondertekend.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke omstandigheden zich hier voordoen. Voor de stelling dat de door hen afgelegde verklaringen onjuist in het verslag zijn weergegeven ziet de Raad geen aanknopingspunten. Daarbij merkt de Raad op dat de door appellanten afgelegde verklaringen in essentie met elkaar overeenstemmen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant in een deel dan wel delen van de onderhavige periode elders zijn hoofdverblijf heeft gehad. Gelet op de eensluidende verklaringen van appellanten kan de Raad aan de verklaring die de dochter van appellante op 24 maart 2010 tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd en waarmee zij is teruggekomen op de geheel andersluidende verklaring die zij op 21 augustus 2008 tegenover ambtenaren van de afdeling Fraudebestrijding heeft afgelegd, niet de betekenis toekennen die appellanten daaraan hechten.

4.4. Appellanten hebben aangevoerd dat de Commissie al in 1998 op de hoogte was van hun situatie omdat appellante toen gemeld heeft dat zij een LAT-relatie hebben. Dit brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De mededeling van appellante bij het heronderzoek in augustus 1998 dat zij pertinent niet samenwoont en dat zij en appellant een LAT-relatie hebben was immers niet in overeenstemming met de werkelijke situatie, aangezien, zoals volgt uit onderdeel 4.2, appellant (in ieder geval) reeds vanaf 2 september 1997 zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2011.

(get.) C. van Viegen

(get.) E. Heemsbergen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB