Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
11/401 WWB + 11/889 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting door geen mededeling te doen van het feit dat hij niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/401 WWB

11/889 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: het College)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 december 2010, 10/2927 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het College

Datum uitspraak: 27 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft eveneens hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft

mr. Nijenhuis een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken 10/3203 WWB, 10/3204 WWB en 10/5891 WWB, plaatsgevonden op 15 november 2011. Voor betrokkene is mr. Nijenhuis verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling van de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, die is gescheiden en in sinds 15 januari 2004 de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) is ingeschreven op het adres [adres 1] in [gemeente 1], ontving vanaf 6 mei 2003 over wisselende perioden bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Met ingang van 3 november 2008 heeft het College de bijstand van betrokkene ingetrokken wegens werkaanvaarding.

1.2. Naar aanleiding van een onderzoek door een fraudepreventiemedewerker, uit welk onderzoek was geconcludeerd dat betrokkene waarschijnlijk niet verblijft op het door hem opgegeven adres, is door Bureau Handhaving van de Afdeling Sociale Zaken en Werk Nijmegen nader onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. Er is dossieronderzoek gedaan, de GBA is geraadpleegd, er zijn getuigen gehoord en betrokkene en zijn ex-echtgenote zijn verhoord. De resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapportage van 19 december 2008, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van gelijke datum de bijstand van betrokkene over de periode van 6 mei 2003 tot en met 2 november 2008 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode terug te vorderen tot een bedrag van € 65.419,18.

1.3. Hangende een door betrokkene ingediend beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft het College bij besluit van 22 juni 2009 het tegen het besluit van 19 december 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-echtgenote en kinderen aan de [adres 2] in [gemeente 1], waarvan hij geen mededeling heeft gedaan aan het College.

1.4. Bij uitspraak van 11 mei 2010 (09/2443 en 09/4061) heeft de rechtbank Arnhem, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 22 juni 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 6 mei 2003 tot 11 april 2006 en op de terugvordering, en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.5. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het College bij besluit van 28 juni 2010 het bezwaar van betrokkene deels gegrond verklaard en de intrekking van de bijstand over de periode van 15 januari 2004 tot 11 april 2006 gehandhaafd op de grond dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van het feit dat hij niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 59.686,47.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 28 juni 2010, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 15 januari 2004 tot 1 augustus 2005 en de terugvordering, het besluit van 19 december 2008 in zoverre herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat het College niet deugdelijk heeft onderzocht en gemotiveerd dat betrokkene

15 januari 2004 tot 1 augustus 2005 niet zou hebben gewoond aan de [adres 1] te [gemeente 1], onder meer omdat gegevens over waterverbruik over die periode ontbreken dan wel niet abnormaal laag te noemen zijn en de verklaringen van getuigen, wonend aan de [adres 1], met betrekking tot de in geding zijnde periode onvoldoende concreet en specifiek zijn. Ten aanzien van de periode van 1 augustus 2005 tot 11 april 2006 is de rechtbank van oordeel dat het waterverbruik zodanig laag is dat niet kan worden aangenomen dat betrokkene in die periode op het adres [adres 1] te [gemeente 1] heeft gewoond.

3.1. Het College heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en kortweg betoogd dat het lage waterverbruik en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] ([adres 1]) voldoende steun bieden voor het standpunt dat betrokkene van 15 januari 2004 tot 1 augustus 2005 niet woonde aan de [adres 1] te [gemeente 1].

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat het lage waterverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot 11 april 2006 valt te verklaren uit het feit dat hij veelvuldig bij zijn zieke zus in Rotterdam verbleef. Betrokkene heeft daarover steeds consistent verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het hoger beroep van het College

4.1.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden om aan te nemen, dat betrokkene gedurende de periode van 15 januari 2004 tot 1 augustus 2005 niet zijn feitelijke woonadres had aan de [adres 1] te [gemeente 1]. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank over de onderzoeksbevindingen heeft overwogen. Over de periode van 15 januari 2004 tot 22 mei 2004 blijken geen gegevens over het waterverbruik aanwezig en het geregistreerde waterverbruik over de periode van 22 mei 2004 tot 1 augustus 2005 is niet dermate laag te noemen, dat op grond daarvan al moet worden aangenomen dat betrokkene in die periode niet woonde op het door hem opgegeven adres. Ook als de verklaringen van de aan de [adres 1] wonende getuigen [getuige 1] en [getuige 2] daarbij worden betrokken, komt de Raad niet tot een ander oordeel. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze verklaringen, die eerst vier jaar na de periode in geding zijn afgelegd, onvoldoende concreet en specifiek zijn.

4.1.2. Het hoger beroep van het College slaagt niet.

4.2. Het hoger beroep van betrokkene

4.2.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor verlening van bijstand.

4.2.2. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen wel een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat betrokkene in de periode van 1 augustus 2005 tot 11 april 2006 niet woonachtig is geweest aan de [adres 1] in [gemeente 1]. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het uit dat onderzoek gebleken waterverbruik op het adres van betrokkene. Uit de gegevens is af te leiden betwist - dat het waterverbruik op dat adres in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 17 september 2006, binnen welke periode de hier in geding zijnde periode valt, slechts 4 m³ is geweest. Uitgaande van een gemiddeld waterverbruik van ongeveer 50 m³ per persoon per jaar, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat het waterverbruik op het adres van betrokkene extreem laag is geweest en dat reeds daarom niet aannemelijk is dat betrokkene daar woonde. Dat het lage waterverbruik is veroorzaakt doordat hij veelvuldig bij zijn zieke zus in Rotterdam verbleef, heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt.

4.2.3. Vast staat dat betrokkene over zijn woonsituatie geen juiste mededeling heeft gedaan aan het College, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Als gevolg van die schending is het recht op bijstand niet vast te stellen, zodat het College bevoegd was de bijstand over de periode van 1 augustus 2005 tot 11 april 2006 in te trekken. De wijze waarop het College van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, heeft betrokkene niet bestreden.

Tegen de terugvordering als zodanig heeft betrokkene geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.2.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

4.3. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het College een griffierecht van € 448,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) M.C. Nijholt.

IJ