Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
10-4024 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College was bevoegd om het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk te verklaren. Aan appellante is tweemaal een hersteltermijn verleend, maar er zijn geen bezwaargronden van appellante ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4024 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juni 2010, 09/1041 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend, waarop mr. Grégoire bij schrijven van 3 september 2010, gericht aan de Raad, heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Bennig-Hellesbrand, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 16 februari 2009 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 5 januari 2009 beëindigd (lees: ingetrokken) en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand, na verrekening met het gereserveerde vakantiegeld, tot een bedrag van in totaal € 4.035,96 van appellante teruggevorderd.

1.2. Appellante heeft bij brief van 26 februari 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 februari 2009. Hierbij heeft zij vermeld dat het een pro-forma bezwaarschrift betreft om de bezwaartermijn veilig te stellen. Appellante heeft het College verzocht haar een termijn te gunnen voor het indienen van gronden tot 4 mei 2009.

1.3. Bij brief van 4 maart 2009 heeft A. Samsam namens het secretariaat van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Sittard-Geleen de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Hierbij is appellante meegedeeld dat het bezwaarschrift op een tweetal punten niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten eerste ontbrak de handtekening onder het bezwaarschrift. Om dit verzuim te herstellen is appellante een hersteltermijn geboden. Daarnaast ontbraken de gronden. Appellante is in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen vóór 2 april 2009. Tevens is appellante gewezen op de mogelijkheid dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard als de verzuimen niet worden hersteld.

1.4. Bij brief van 9 maart 2009 heeft appellante bij het College wederom een bezwaarschrift ingediend, identiek aan het eerdere, zij het dat dit nu wel is voorzien van een handtekening. Zij heeft opnieuw verzocht om een uitstel voor het indienen van nadere gronden tot 4 mei 2009.

1.5. Bij brief van 26 maart 2009 heeft het College appellante meegedeeld dat de termijn voor het indienen van de gronden van het bezwaar wordt verlengd tot 15 april 2009.

1.6. Bij brief van 25 maart 2009, blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting door het College ontvangen op 26 maart 2009, heeft mr. Grégoire zich als gemachtigde van appellante gesteld, waarbij hij het secretariaat van de commissie voor bezwaarschriften heeft verzocht de stukken aan hem te doen toekomen. Met een begeleidend schrijven van 7 april 2009 zijn de stukken vervolgens aan mr. Grégoire toegezonden.

1.7. Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het College het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat aan appellante tweemaal een hersteltermijn is verleend - de laatste aflopend op 15 april 2009 - en dat geen bezwaargronden van appellante zijn ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij aangevoerd, samengevat, dat uit haar bezwaarschrift wel duidelijk bleek dat ze zich niet kon verenigen met het besluit van 16 februari 2009. Met name is zij van mening dat zij in het bezwaarschrift heeft verwoord dat sprake was van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Daarnaast heeft appellante erop gewezen dat de brief van 26 maart 2009, waarin haar nader uitstel is verleend, zich niet bij de aan de gemachtigde toegezonden stukken bevond. Ten slotte heeft appellante opgemerkt dat tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank bleek dat de rechtbank, zonder appellante daarover te informeren, contact had gezocht met de gemeente en punten had aangegeven waarop de gemeente zich ten behoeve van de mondelinge behandeling diende voor te bereiden. Deze handelwijze acht appellante ontoelaatbaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat de rechter partijen bij aanvang van de zitting heeft meegedeeld dat de rechtbank de gemeente telefonisch heeft verzocht zich, naast de kwestie van de ontvankelijkheid van het bezwaar, ook inhoudelijk voor te bereiden op de zaak. Indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het bezwaar ontvankelijk is, zou de bestuurlijke lus kunnen worden toegepast, waarna het College alsnog inhoudelijk kon beslissen. Door de zaak ook meteen inhoudelijk te behandelen zou in dat geval een nadere zitting achterwege kunnen blijven. Partijen hebben hiermee, zo blijkt uit het proces-verbaal, ingestemd, zodat de Raad datgene wat appellante hierover nog in het hoger beroepschrift heeft vermeld om die reden verder buiten bespreking zal laten.

4.2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.3. De Raad is van oordeel dat het bezwaarschrift van appellante van 26 februari 2009 onmiskenbaar geen gronden bevat. Daartoe wijst de Raad er allereerst op dat appellante zelf heeft vermeld dat het een pro-forma bezwaarschrift betreft dat is ingediend om de bezwaartermijn veilig te stellen. Voor zover appellante in dit bezwaarschrift inhoudelijk op haar financiële situatie ingaat, houdt dit verband met het tevens, separaat in dit bezwaarschrift vervatte verzoek aan het College om haar uitstel van betaling te verlenen. Dit verzoek staat echter los van het feit dat het bezwaarschrift nog geen gronden bevatte, reden waarom door appellante juist ook werd gevraagd haar een nadere termijn te gunnen.

4.4. De Raad houdt het er voor dat de brief van 26 maart 2009, waarin appellante een nieuwe hersteltermijn is gegeven tot 15 april 2009, en de brief van 25 maart 2009, waarin mr. Grégoire zich als gemachtigde heeft gesteld, elkaar hebben gekruist. Eerst in beroep heeft de gemachtigde gesteld dat hij de brief van 26 maart 2009 niet van de gemeente heeft ontvangen, maar dat de brief bij appellante terecht is gekomen. In dit kader is de Raad van oordeel dat het in eerste instantie op de weg van appellante heeft gelegen om haar gemachtigde bij overdracht van de zaak in kennis te stellen van het feit dat haar bij brief van 26 maart 2009 door het College een termijn was verleend tot 15 april 2009 om de gronden in te dienen. In de periode tussen 25 maart 2009 en 15 april 2009, waarin de gemachtigde, in de hoedanigheid van professionele rechtshulpverlener, via appellante wetenschap zou moeten hebben gehad van de brief van 26 maart 2009 en hij tevens op zijn verzoek de op de zaak betrekking hebbende stukken van de gemeente had ontvangen, is door hem niet een nieuw verzoek om uitstel gedaan. Anders dan appellante ziet de Raad in het feit dat de commissie bezwaarschriften op 25 mei 2009 een hoorzitting voor de behandeling van het bezwaar heeft belegd geen aanwijzing dat het bezwaar ontvankelijk was bevonden. De Raad stelt vast dat op die datum bij de commissie een faxbericht van mr. Grégoire is binnengekomen waarin de bezwaargronden zijn vervat.

Deze gronden zijn ruim buiten de gestelde termijn voor het indienen van gronden ingediend. Deze termijn liep immers af op 15 april 2009.

4.5. De Raad is daarom met de rechtbank van oordeel dat het College bevoegd was om het bezwaar van appellante op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) E. Heemsbergen.

IJ