Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
10-3662 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering pgb. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende is gebleken van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 4.1 van de Verordening. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de door appellant aangevoerde omstandigheden dat hij een laag opleidingsniveau heeft, de Nederlandse taal niet machtig is en schulden heeft, niet zodanig bijzonder zijn dat dit aanleiding diende te geven tot toepassing van de hier aan de orde zijnde hardheidsclausule. Anders dan de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat ook het samenstel van deze omstandigheden geen aanleiding hoefde te geven tot toepassing van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3662 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2010, 10/67 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011. Namens appellant is mr. Soebhag verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke verzorging op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

1.2. Het College heeft bij besluit van 11 augustus 2009 het pgb over de periode van 31 december 2007 tot en met 28 december 2008 herzien tot een bedrag van € 0,-- en het over deze periode verleende pgb ten bedrage van € 2.714,40 van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant over voormelde periode geen verantwoordingsformulier heeft ingediend, zodat het College niet kan vaststellen of appellant het pgb kan verantwoorden.

1.3. Bij besluit van 11 december 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 december 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 3.5, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.6, eerste lid, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam (hierna: Verordening) het pgb van appellant te herzien en het verleende pgb van appellant terug te vorderen. Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of het College met toepassing van artikel 4.1 van de Verordening had moeten afzien van herziening en terugvordering. Ingevolge deze bepaling kan het College in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon afwijken van deze verordening, als toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende is gebleken van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 4.1 van de Verordening. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de door appellant aangevoerde omstandigheden dat hij een laag opleidingsniveau heeft, de Nederlandse taal niet machtig is en schulden heeft, niet zodanig bijzonder zijn dat dit aanleiding diende te geven tot toepassing van de hier aan de orde zijnde hardheidsclausule. Anders dan de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat ook het samenstel van deze omstandigheden geen aanleiding hoefde te geven tot toepassing van de hardheidsclausule.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD