Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
11-72 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De belastbaarheid van appellant wordt in de geduide functies niet overschreden. Het door de rechtbank niet geschikt achten van een van de geduide functies op basis van arbeidskundige gronden heeft geen gevolgen voor de mate van arbeidsongeschiktheid omdat door de bijgeduide functie de mediane loonwaarde gelijk blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/72 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 november 2010, 10/1215 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en is een nader stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Namens appellant is verschenen mr. M.S. Yap, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker in de functie van inpakker. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege buikklachten. Op 10 juni 2009 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Na een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 11 september 2009 geweigerd appellant per 7 september 2009 een WIA-uitkering toe te kennen, op de grond dat appellant geen recht heeft op een uitkering ingevolge die wet, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is bij besluit van 16 maart 2010 ongegrond verklaard. Dit besluit berust eveneens op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 16 maart 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant stelt zich in hoger beroep, evenals hij in eerste aanleg heeft gedaan, op het standpunt dat hem een uitkering ingevolge de Wet WIA toekomt omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van die wet. Hij is van mening dat zijn medische beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv zijn onderschat. Ten onrechte is volgens hem geen nader onafhankelijk onderzoek verricht door een arts en, in het voorkomende geval, door een arbeidsdeskundige. Voorts heeft hij betoogd dat hij de ten aanzien van hem geselecteerde functies niet kan verrichten omdat hij daartoe om medische redenen niet in staat is. Verder heeft hij aangevoerd dat die functies niet geschikt zijn voor hem omdat hij niet in staat is te voldoen aan de eisen op het gebied van opleidingsniveau en mondelinge en schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. De stelling dat ten onrechte geen nader onafhankelijk medisch of arbeidskundig onderzoek is verricht mist doel. Appellant heeft die stelling ook niet met medische of arbeidskundige gegevens onderbouwd. Ook overigens is niet gebleken van enige verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige noodzaak daartoe.

4.2. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. In het bijzonder blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde buikklachten. Daarbij merkt de rechtbank op dat de subjectieve klachtenbeleving van appellant geen toereikende basis kan vormen voor het oordeel dat zijn medische beperkingen zouden zijn onderschat. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport volgens de rechtbank genoegzaam gemotiveerd dat er sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan deze conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft in eerste aanleg geen informatie overgelegd, die de rechtbank aanleiding geeft te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. De rechtbank heeft geen reden gezien voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige. Voor de verdere beoordeling is de rechtbank dan ook uit gegaan van de medische beperkingen die zijn neergelegd in de door een verzekeringsarts van het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 31 juli 2009. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank.

4.3. In hoger beroep heeft appellant een brief van 30 oktober 2011 overgelegd van zijn huisarts P.A.M. van de Graaf. Die brief heeft klaarblijkelijk betrekking op de gezondheidstoestand van appellant op de juist vermelde datum. Van de Graaf zegt dat zijns inziens appellant vooralsnog niet arbeidsgeschikt is, kennelijk op grond van de door de huisarts vermelde verhoogde bloeddruk alsmede een vermoedelijk bij appellant bestaande spierziekte. De Raad ziet in deze brief geen onderbouwing van appellants stelling dat hij op de datum die in dit geding van belang is, 7 september 2009, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Ook overigens geeft deze brief geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat ten grondslag ligt aan de in geding zijnde besluitvorming, en waarin bij appellant medische beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn vastgesteld, welke beperkingen gelden op de juist vermelde datum.

4.4. Ook de arbeidskundige grondslag van het besluit van 16 maart 2010 kon de toetsing van de rechtbank doorstaan. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige appellant in ieder geval geschikt heeft geacht voor de functies van productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043), textielproductenmaker (Sbc-code 111160) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (Sbc-code 111180) en zij heeft de belasting van die functies vergeleken met de FML. Zij heeft daarbij de toelichting betrokken die de arbeidsdeskundigen hebben gegeven bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de belastbaarheid van appellant in deze functies niet wordt overschreden.

Ten aanzien van de beroepsgrond van appellant dat hij vanwege zijn opleidingsachtergrond niet in staat is de geduide functies te verrichten, heeft de rechtbank overwogen dat appellant het lager onderwijs in Angola heeft voltooid en een diploma aan de Theaterschool heeft behaald. Hierdoor is aan appellant het opleidingsniveau 2 toegekend. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien deze indeling voor onjuist te houden. Nu de geduide functies opleidingsniveau 2 vereisen en er geen sprake is van een strikte diploma-eis, kan het standpunt van appellant dat de functies ongeschikt zijn, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet worden gevolgd.

De rechtbank heeft het ervoor gehouden dat de functie van productiemedewerker (bedrading, Sbc-code 111180) niet geschikt is omdat daarin van appellant wordt gevergd dat hij Nederlands kan schrijven, waartoe appellant volgens zijn stelling nauwelijks in staat is, terwijl het de rechtbank uit de functieomschrijving niet duidelijk is geworden welk niveau dit schrijfaspect betrof. Deze beslissing van de rechtbank heeft geen gevolgen voor de mate van arbeidsongeschiktheid omdat de bezwaararbeidsdeskundige appellant geschikt heeft geacht voor de bijgeduide functie van samensteller kunststof en rubberindustrie (Sbc-code 272043). Dit heeft geen consequenties voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, nu de mediane loonwaarde gelijk blijft. Ook deze overwegingen van de rechtbank onderschrijft de Raad. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat bij appellant sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

4.5. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

TM