Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
11-968 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad stelt voorop dat, zoals ook de rechtbank met juistheid in haar overwegingen heeft neergelegd, volgens vaste rechtspraak het oordeel van een door de bestuursrechter geraadpleegde onafhankelijke deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Raad is van oordeel dat Hokken dient te worden gevolgd in de conclusies waartoe hij in zijn rapport is gekomen ten aanzien van de diagnose arthrose en het ontbreken van een indicatie voor een urenbeperking. Daarbij gaat de deskundige ervan uit dat de voor appellante geschikt bevonden werkzaamheden aan zijn bevindingen zijn aangepast, zodanig dat deze lichamelijk en psychisch niet te zwaar zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/968 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2010, 08/2465 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Datum uitspraak: 30 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft M.A.T. Huisman, verbonden aan Adviesbureau RiaHuisman te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 8 juli 2008 (het bestreden besluit) gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de WAO-uitkering van appellante per 5 maart 2008 is herzien en appellante is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in stand blijven, met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op het rapport van 22 juni 2010 van de door haar geraadpleegde revalidatiearts W. Hokken. Omdat de bezwaarverzekeringsarts de door de deskundige aanbevolen aanpassingen heeft vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juli 2010, is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in beroep alsnog van een deugdelijke medische grondslag voorzien. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat voldoende is gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante, ook rekening houdend met de beperkingen zoals opgenomen in de aangepaste FML van 1 juli 2010. Derhalve bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten.

2.1. Het hoger beroep van appellante is beperkt tot dat deel van de aangevallen uitspraak waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellante stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende medische beperkingen in de FML zijn opgenomen en dat de voorgehouden functies om die reden voor haar niet geschikt zijn. Zij onderbouwt haar stelling met een aantal medische verklaringen ingezonden bij faxbericht van 8 november 2011.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag stelt appellante zich op het standpunt dat het Uwv en de rechtbank zijn uitgegaan van een onjuist arbeidsongeschiktheidscriterium. Omdat appellante vanaf 1996 een WAO-uitkering heeft ontvangen, die in 2003 is ingetrokken maar is herleefd in 2007, behoort op haar het oude Schattingsbesluit te worden toegepast en niet – ongeacht haar leeftijd – het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidwetten.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2. De Raad stelt voorop dat, zoals ook de rechtbank met juistheid in haar overwegingen heeft neergelegd, volgens vaste rechtspraak het oordeel van een door de bestuursrechter geraadpleegde onafhankelijke deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Raad ziet in het onderhavige geval geen aanleiding op grond van bijzondere omstandigheden van dit beginsel af te wijken.

3.3. De Raad is van oordeel dat Hokken dient te worden gevolgd in de conclusies waartoe hij in zijn rapport is gekomen ten aanzien van de diagnose arthrose en het ontbreken van een indicatie voor een urenbeperking. Daarbij gaat de deskundige ervan uit dat de voor appellante geschikt bevonden werkzaamheden aan zijn bevindingen zijn aangepast, zodanig dat deze lichamelijk en psychisch niet te zwaar zijn voor appellante.

3.4. De Raad stelt zich geheel achter het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en de overwegingen die daaraan in de aangevallen uitspraak zijn gewijd.

3.5. De stukken die appellante in hoger beroep nog heeft overgelegd zien niet op de gezondheidstoestand van appellante op de in dit geding van belang zijnde datum 5 maart 2008 en behoeven om die reden geen bespreking.

3.6. De beroepsgrond dat bij de schatting ten onrechte is uitgegaan van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten slaagt niet, reeds, omdat appellante na de door het overgangsrecht op 1 juli 1959 gelegde scheidslijn is geboren.

3.7. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van I.J Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) I.J. Penning.

TM