Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
11-704 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstand. Omvang geding na eerdere procedure en opdracht tot nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/55
JWWB 2012/18
ABkort 2012/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/704 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2010, 10//305 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P. Valten, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft zich op 5 juli 2004 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI) voor een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 28 april 2005 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen. Op 13 februari 2006 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Bij besluit van 30 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2005 ongegrond verklaard, op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld in hoeverre appellant op 5 juli 2004 verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 oktober 2007, 06/1297 voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 30 november 2006 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 17 februari 2009, LJN BH4339 die uitspraak vernietigd, het beroep tegen het besluit van 30 november 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van zijn uitspraak. Daartoe heeft de Raad overwogen dat het College erkend heeft dat appellant al tijdens de bezwaarfase voldoende informatie heeft overgelegd om het recht op bijstand met ingang van 5 juli 2005 te kunnen vaststellen en dat het besluit van 30 november 2006 daarom niet berust op een deugdelijke motivering.

1.3. Bij besluit van 26 februari 2010 heeft het College het bezwaar gegrond verklaard en appellant over de periode van 4 juli 2004 tot en met 6 juli 2005 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande en schadevergoeding voor de te late betaling daarvan.

2. Appellant heeft tegen het besluit van 26 februari 2010 beroep ingesteld en aangevoerd dat hij zich al op 21 juli 2003 dan wel 3 oktober 2003 bij het CWI heeft gemeld. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant bijstand heeft gevraagd met ingang van 5 juli 2004 en niet de bedoeling heeft gehad met terugwerkende kracht bijstand aan te vragen, terwijl de rechtbank evenmin gebleken is van het tot stand komen van een eerdere aanvraag.

Aan appellant is bijstand toegekend met ingang van (abusievelijk een dag voor) de datum van melding bij het CWI. De rechtbank concludeert derhalve dat hij heeft verkregen waar om in eerste instantie is verzocht, zodat hij geacht moet worden geen (inhoudelijk) belang te hebben bij het instellen van beroep.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij recht heeft op bijstand met ingang van een eerdere datum dan 4 juli 2005, omdat hij zich al op 21 juli 2003 dan wel 3 oktober 2003 bij het CWI heeft gemeld. Appellant voert verder aan dat de redelijke termijn, zoals geformuleerd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en verzoekt op grond hiervan om schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De ingangsdatum van de bijstand.

4.1.1. Ter beoordeling staat of het College met het besluit van 26 februari 2010 op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 17 februari 2009. De Raad merkt daarbij op dat hij in deze uitspraak niet de beoordelingsperiode heeft vastgesteld.

4.1.2. Op basis van het nadere standpunt van het College dat er voldoende gegevens zijn om het recht op bijstand met ingang van 5 juli 2004 vast te stellen heeft de Raad in de genoemde uitspraak onder meer bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak. Het College heeft hieraan uitvoering gegeven door bij besluit van 26 februari 2010 het bezwaar van appellant gegrond te verklaren en bijstand te verlenen vanaf 4 juli 2004 tot en met 6 juli 2005. Appellant heeft zich vervolgens in beroep - voor het eerst - op het standpunt gesteld dat de bijstand met ingang van een eerdere datum had moeten worden toegekend.

4.1.3. De rechtbank heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard op basis van de vaststelling dat de verlening van de bijstand heeft plaatsgevonden overeenkomstig de datum die door appellant op het aanvraagformulier was ingevuld, namelijk: 5 juli 2005.

4.1.4. Naar het oordeel van de Raad volgt uit de vaststelling dat de bijstand is verleend overeenkomstig de aanvraag, niet dat appellant geen inhoudelijk belang had bij de behandeling van het beroepschrift. De rechtbank had het beroep inhoudelijk moeten beoordelen. De rechtbank heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

4.1.5. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad een oordeel geven over het bestreden besluit zoals dit in beroep ter beoordeling voorlag. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

4.1.6. Uit de beschikbare gegevens, waaronder de uitdraai van 1 maart 2005 van de werkzoekendegegevens, leidt de Raad af dat appellant zich op 3 oktober 2003 voor het eerst bij het CWI heeft gemeld omdat hij bijstand wilde aanvragen na het faillissement van zijn bedrijf. Deze melding heeft echter door toedoen van appellant niet tot het indienen van een aanvraag om bijstand geleid. Appellant is immers op 17 november 2003 te laat op de afspraak bij het CWI voor de intake verschenen, is op de volgende afspraak op 12 december 2003 met bericht niet verschenen en heeft daarna tot 5 juli 2004 niets meer van zich laten horen. Niet is gebleken dat appellant zich eerder, bijvoorbeeld op de door hem genoemde datum 21 juli 2003 heeft gemeld bij het CWI voor het doen van een aanvraag om bijstand. Gezien het voorgaande heeft het College op goede gronden geen aanleiding gezien om de bijstand eerder dan op 4 juni 2004 te laten ingaan. De Raad concludeert derhalve dat het College op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de meergenoemde uitspraak van de Raad.

4.1.7. Op basis van de overwegingen onder 4.1.6 zou het beroep van appellant ongegrond moeten worden verklaard. Dit wordt echter anders door het verzoek van appellant om vergoeding van de schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Naar aanleiding van dit verzoek wordt het navolgende overwogen.

4.2. Schadevergoeding.

4.2.1. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009.

4.2.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 25 maart 2009, LJN BH9991, moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie).

4.2.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 is een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.2.4. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Appellant heeft op 1 juni 2005 bezwaar gemaakt. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn ruim zes jaar en een half verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

4.2.5. De redelijke termijn van die procedure is derhalve met ruim twee en een half jaar overschreden. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling in de rechterlijke fase is aangevangen met de ontvangst van het eerste beroepschrift door de rechtbank op 13 februari 2006. Dit beroepschrift is gericht tegen de fictieve weigering om een beslissing te nemen op het bezwaar. Het College heeft uiteindelijk op 30 november 2006 een beslissing genomen op het bezwaar. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2009, LJN BI3430, dient een dergelijke periode voor rekening van het bestuursorgaan te blijven en moet voor het vaststellen van het moment van aanvang van de behandeling door de rechter worden uitgegaan van de dag na de datum van dit besluit op bezwaar. Dit betekent dat in het onderhavige geval de periode vanaf 13 februari 2006 tot en met 30 november 2006 voor de bepaling van de redelijke termijn aan het College dient te worden toegerekend. De rechtbank heeft op 22 oktober 2007 uitspraak gedaan op het beroep van appellant, waarbij het beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 30 november 2006 ongegrond is verklaard. De periode van 1 december 2006 tot aan de uitspraak op 22 oktober 2007 dient aan de rechtbank te worden toegerekend. De behandeling in de eerste rechterlijke fase is afgesloten met de uitspraak van de Raad in hoger beroep op 17 februari 2009. De behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen heeft daarmee minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. De behandeling van de tweede rechterlijke fase heeft minder dan twee jaar geduurd. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een gedeelte van deze termijnen in verband met aan appellant toe te rekenen factoren, voor diens rekening moet worden gelaten. De overschrijding van de redelijke termijn komt derhalve in haar geheel voor rekening van het College. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van zes maal € 500,--, dat is € 3.000,--.

4.2.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten en het College zal veroordelen tot vergoeding van de schade aan appellant van € 3.000,--.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het College tot vergoeding van schade aan appellant van in totaal € 3.000,--;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.748,--, te betalen door het College;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

O.L.W.H.I. Korte en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

HD