Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
10-5408 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning schadevergoeding. De gestelde schadeposten 3 tot en met 7 komen – afgezien van de door het Uwv reeds aan appellante toegekende wettelijke rente die hier niet in geding is – niet voor verdergaande vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de door appellante gevorderde vergoeding van immateriële schade is zij er naar niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij door het besluit van het Uwv zodanig heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon, waarvoor het Uwv schadeplichtig zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5408 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2010 09/2622 en 10/1747, (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 28 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. A.C.R. Molenaar, advocaat.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 11 februari 2008 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), afgewezen. Bij besluit van

25 november 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 februari 2008 gegrond verklaard en aan haar een uitkering ingevolge de Wet WIA toegekend per 13 januari 2008, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

1.3. Bij brief van 3 december 2008, met bijgevoegd een schadestaat met 9 posten, heeft appellante het Uwv aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, materieel en immaterieel, welke appellante heeft geleden door het besluit van 11 februari 2008.

1.4. Het Uwv heeft met betrekking tot gevraagde bezwaarkosten, bestaande uit eigen bijdragen voor toevoegingen en reiskosten (posten 1 en 2 van de schadestaat) bij besluit van 19 januari 2009 afwijzend beslist. Bij besluit van 27 mei 2009 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Bij besluit van 23 juli 2009 heeft het Uwv alsnog de gevraagde reiskosten vergoed.

2.1. Appellante heeft haar beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de vergoeding voor eigen bijdragen, ingetrokken.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante, gericht tegen de besluiten van 27 mei 2009 en van 23 juli 2009, niet ontvankelijk verklaard.

3.1. Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft het Uwv ter vergoeding van de schade vanwege de vertraging in de uitbetaling van de WIA-uitkering aan appellante de wettelijke rente ad € 215,61 toegekend.

3.2. Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft het Uwv met betrekking tot de schadeposten 3 tot en met 8 gesteld dat het hier betreft schade als gevolg van de te late betaling van een geldsom, die zich oplost in vergoeding van wettelijke rente, zoals toegekend bij het besluit van 22 oktober 2009. Met betrekking tot schadepost 9 (immateriële schade) kent het Uwv vanwege overschrijding van een redelijke bezwaartermijn een vergoeding van € 500,- toe. Overig smartengeld wordt niet toegekend, nu psychische schade niet aannemelijk is gemaakt.

3.3. Bij besluit van 4 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

23 oktober 2009 ongegrond verklaard. Met betrekking tot de gestelde psychische schade heeft het Uwv daarbij verwezen naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2010.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat schadepost 8 wordt geacht te zijn toegewezen. Met betrekking tot de overige materiële posten (3 tot en met 7) ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank causaal verband en heeft appellante niet voldaan aan de op haar rustende verplichting tot beperking van schade. Met betrekking tot de immateriële schade (post 9) is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de handelwijze van het Uwv voor meer dan € 500,- psychische schade heeft veroorzaakt.

5. Appellante heeft zich in hoger beroep gericht tegen de overwegingen van de rechtbank ter zake van de afwijzing van schadevergoeding met betrekking tot de posten 3 tot en met 7 en 9.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Wat betreft de vergoeding van de door appellante gevorderde materiële schade (de posten 3 tot en met 7), stelt de Raad vast dat het hier betreft schadevergoeding welke is verschuldigd vanwege vertraging in de voldoening van een geldsom. De Raad overweegt dat – wat er ook zij van het oorzakelijk verband tussen deze schadeposten en het onrechtmatige besluit van 11 februari 2008 en van de verplichting van appellante tot beperking van de schade – volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 april 2009, LJN BI0588) heeft te gelden dat de omvang en duur van de schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de uitbetaling van de uitkering wordt genormeerd door artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De gestelde schadeposten 3 tot en met 7 komen – afgezien van de door het Uwv reeds aan appellante toegekende wettelijke rente die hier niet in geding is – reeds daarom niet voor verdergaande vergoeding in aanmerking.

6.2. Met betrekking tot de door appellante gevorderde vergoeding van immateriële schade is zij er naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij door het besluit van het Uwv van 11 februari 2008 zodanig heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor het Uwv schadeplichtig zou zijn. De namens appellante in bezwaar overgelegde verklaring van haar huisarts van 19 februari 2010 brengt de Raad niet tot een ander oordeel nu uit deze verklaring niet blijkt van een aantoonbaar verband tussen appellantes psychische klachten en het besluit van het Uwv van

11 februari 2008.

6.3. Uit het gestelde in 6.1 en 6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan de artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM