Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
10-3396 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking Wet WIA-uitkering. Het besluit berust op een juiste verzekeringsgeneeskundige grondslag. Geen termen aanwezig tot het benoemen van een medisch deskundige. De in het dossier aanwezige gegevens kunnen de conclusie dragen dat appellant in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van de geduide functies. De rechtbank heeft met juistheid geconcludeerd dat appellant op en na de datum in geding in staat is om meer dan 65% te verdienen van het voor hem geldende maatmaninkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3396 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 mei 2010, 10/106 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 juni 2009 appellants uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 24 augustus 2009 ingetrokken omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 15 december 2009 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant in de kern dezelfde gronden aangevoerd die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Appellant heeft betoogd dat hij ten gevolge van knieklachten, cognitieve en psychische klachten niet in staat is tot het duurzaam, zonder extreem ziekteverzuim en zonder dat er sprake is van een aanzienlijk afbreukrisico, verrichten van arbeid. De (bezwaar)verzekeringsartsen onderschatten de aard en omvang van de invaliderende beperkingen bij langdurige belasting.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. Bij de beoordeling van de medische aspecten is de rechtbank de besluitvorming die heeft geleid tot de besluiten van 25 juni 2009 en 15 december 2009 nagegaan en heeft zij de uitkomsten daarvan getoetst aan de hand van de beroepsgronden. Het besluit van 25 juni 2009 berust op de bevindingen van de verzekeringsarts P. Janssen. Deze heeft op basis van eigen onderzoek(en) en dossieronderzoek een rapport uitgebracht en de voor appellant geldende mogelijkheden en beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dat besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen nader onderzoek gedaan bestaande uit dossierstudie, het bijwonen van de hoorzitting en kennisneming van het daar overhandigd schrijven van de huisarts M.J.E.M. Baggen. Op basis hiervan is in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts de FML van 21 april 2009 aangepast in die zin dat de verruimende toelichting in de FML is komen te vervallen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten. De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank.

4.2. De rechtbank heeft - gelet op alle voorhanden medische gegevens - geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van dat verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. De informatie van de behandelende sector is uitdrukkelijk en volgens de rechtbank in voldoende mate in de beoordeling meegenomen. Niet is gebleken dat de klachten van appellant zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist is uitgelegd. In ieder geval is niet gebleken dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was om - binnen de voor hem geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. De rechtbank heeft aan de eigen beleving van appellant over zijn beperkingen en het al dan niet kunnen werken geen doorslaggevende betekenis toegekend. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen. Dat betekent dat appellant zijn stellingen dat hij ten gevolge van knieklachten, cognitieve en psychische klachten niet in staat is tot het duurzaam, zonder extreem ziekteverzuim en zonder dat er sprake is van een aanzienlijk afbreukrisico, verrichten van arbeid, niet met medische gegevens heeft onderbouwd. De Raad onderschrijft ook deze overwegingen van de rechtbank.

4.3. Op grond van de overwegingen 4.1 en 4.2 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het besluit van 15 december 2009 op een juiste verzekeringsgeneeskundige grondslag berust. De rechtbank heeft eveneens terecht geen termen aanwezig geacht tot het benoemen van een medisch deskundige, zoals door appellant is verzocht.

4.4. Bij de beoordeling van de arbeidskundige aspecten van de besluitvorming die heeft geleid tot de besluiten van

25 juni 2009 en 15 december 2009 heeft de rechtbank geconstateerd dat arbeidsdeskundige J. Holthuijsen op grond van de door de verzekeringsarts opgestelde FML met behulp van het CBBS functies heeft geselecteerd, die appellant, gelet op de voor hem geldende medische beperkingen en zijn krachten en bekwaamheden, kan vervullen. Bezwaararbeidsdeskundige H. Saris heeft de selectie van functies door de arbeidsdeskundige Holthuijsen onderschreven. Voor de schatting zijn de, als algemeen geaccepteerde arbeid aangemerkte, functies van wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en productiemedewerker confectie (SBC-code 272042) als uitgangspunt genomen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de in het dossier aanwezige gegevens de conclusie kunnen dragen dat appellant in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van deze functies. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen.

4.5. Op grond van haar overwegingen heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat appellant op en na

24 augustus 2009 in staat is om meer dan 65% te verdienen van het voor hem geldende maatmaninkomen. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de intrekking van de uitkering ingevolge de Wet WIA met ingang van genoemde datum in rechte in stand kan blijven.

4.6. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

TM