Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
09-6726 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging van de uitkeringstermijn tot en met 30 april 2008. Appellant heeft de door hem aangevoerde omstandigheden niet met objectiveerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd. Verder wijst de Raad erop in navolging van zijn uitspraak van 2 maart 2010, LJN BL9030, dat tijdelijke arbeidsongeschiktheid, waardoor een betrokkene zijn bedrijf niet naar behoren kan voeren en waardoor hij in bijstandsbehoevende omstandigheden komt te verkeren, behoort tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige, waarvoor hij voorzieningen kan treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6726 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 oktober 2009, 08/3387 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Nass, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nass. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.M. van Lokven, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in juli 2001 gestart als zelfstandig ondernemer met een herstelbedrijf en handel in tweedehands auto’s. In verband daarmee heeft het College hem een (aanvullende) uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) verstrekt over de periode van 1 juni 2001 tot 1 juli 2004. In verband met de beëindiging van zijn bedrijf heeft het College appellant een uitkering ingevolge het Bbz 2004 verstrekt over de periode van 1 september 2005 tot en met 31 december 2005.

In verband met een (mogelijke) doorstart van het bedrijf van appellant heeft het College aan appellant met ingang van 1 januari 2006 wederom een Bbz-uitkering toegekend.

1.2. In september 2007 zijn namens het College gesprekken met appellant gevoerd over een laatste mogelijkheid voor appellant om een doorstart te maken met zijn bedrijf.

Tijdens een gesprek op 11 september 2007 heeft appellant kenbaar gemaakt daarvoor een klein bedrijfskapitaal nodig te hebben en gedurende een periode financiële ondersteuning in de kosten van levensonderhoud. In dat verband heeft appellant op 21 september 2007 een verklaring getekend waarbij hij verklaart dat wanneer hij een krediet van € 5.000,-- kan krijgen, hij binnen een half jaar geen uitkering meer nodig heeft. Daarbij heeft appellant tevens verklaard ermee akkoord te gaan dat zijn Bbz-uitkering, nadat het College hierover een besluit heeft genomen, na een half jaar automatisch zal worden

beëindigd.

1.3. Bij besluit van 5 oktober 2007, voor zover hier van belang, heeft het College de aan appellant toegekende Bbz-uitkering over de periode van 1 oktober 2007 tot uiterlijk 1 april 2008 ongewijzigd voortgezet. Daarbij is appellant erop gewezen dat de Bbz-uitkering, in overeenstemming met de door hem op 21 september 2007 ondertekende verklaring, per 1 april 2008 zal worden beëindigd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.4. In april 2008 heeft appellant het College verzocht zijn Bbz-uitkering te verlengen.

Bij besluit van 22 april 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2008, heeft het College besloten de Bbz-uitkering van appellant te verlengen van 1 april 2008 tot en met 30 april 2008. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant bij uitzondering al langer dan de in artikel 18 van het Bbz 2004 genoemde termijn bijstand is verleend en dat hij niet heeft aangetoond dat sprake is van een bedrijf dat tijdelijk in financiële problemen verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 juli 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen (waar voor eiser appellant moet worden gelezen en voor verweerder het College): “De rechtbank stelt vast dat eiser langer bijstand als zelfstandige heeft

ontvangen dan de terzake geldende wettelijke regeling toelaat. Verweerder heeft die bijstand dus terecht per 1 mei 2008 beëindigd.”

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat, anders dan de rechtbank heeft vastgesteld, de maximale termijn van bijstandsverlening nog niet was verstreken. Verder heeft appellant aangevoerd dat sprake was van externe omstandigheden van tijdelijke aard, waardoor hij niet in staat was zijn werkzaamheden als zelfstandige te verrichten, en die verdere verlening van de bijstand na 30 april 2008 noodzakelijk maakten. In dat verband heeft appellant gewezen op problemen met de door hem gehuurde bedrijfsruimte en met de stroomvoorziening en op zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Voorts heeft appellant erop gewezen dat er brand is

gesticht in zijn bedrijf, dat hij werd afgeperst door derden en dat er politieonderzoeken zijn geweest. Volgens appellant werd hij door al deze omstandigheden belemmerd in zijn werkzaamheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank haar oordeel niet heeft gebaseerd op een door het College aan het besluit van 29 juli 2008 ten grondslag gelegde grond. Uit de bewoordingen en de context van dat besluit blijkt immers dat het College zich daarbij niet op het standpunt heeft gesteld dat eind april 2008 de maximale

uitkeringstermijnen van het Bbz 2004 al waren verstreken, maar dat de in artikel 18 van het Bbz 2004 bedoelde uitkeringstermijn van twaalf maanden reeds was verstreken en dat er geen aanleiding was voor verdere verlenging. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank mocht hebben beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en niet op (de motivering van) het in beroep bestreden besluit. De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid van de Awb van openbare orde is, reeds in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

4.2. In artikel 18 van het Bbz 2004 is bepaald dat aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a gedurende ten hoogste twaalf maanden algemene bijstand wordt verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.

4.3. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat appellant door het College voor de toepassing van het Bbz 2004 met ingang van 1 januari 2006 is aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 18 van het Bbz 2004 in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, onderdaal a, van dat besluit en dat hem in die hoedanigheid tot 1 april 2008 over een aaneengesloten periode van in totaal 28 maanden bijstand is verleend. Uit het onder 1.3 vermelde besluit van 5 oktober 2007 blijkt voorts dat de Bbz-uitkering van appellant met ingang van die datum zou eindigen. Gelet op hetgeen door appellant is aangevoerd is de hier voorliggende vraag of het College op grond van de onder 3 genoemde, door appellant opgeworpen omstandigheden, de uitkeringstermijn nog verder had moeten verlengen dan tot en met 30 april 2008.

4.4. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij acht hierbij van belang dat appellant de door hem aangevoerde omstandigheden niet met objectiveerbare en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Verder wijst de Raad erop in navolging van zijn uitspraak van 2 maart 2010, LJN BL9030, dat tijdelijke arbeidsongeschiktheid, waardoor een betrokkene zijn bedrijf niet naar behoren kan voeren en waardoor hij in bijstandsbehoevende omstandigheden komt te verkeren, behoort tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige, waarvoor hij voorzieningen kan treffen.

5. Gelet hierop heeft het College naar het oordeel van de Raad in redelijkheid kunnen volstaan met verlenging van de uitkeringstermijn tot en met 30 april 2008. Dit betekent dat het besluit van 29 juli 2008 in rechte stand houdt. De Raad zal het beroep tegen dat besluit dan ook ongegrond verklaren.

6. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2011.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) R. Scheffer.

RB