Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV0002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
10-6211 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering. Terugvordering. Boete. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens staat vast dat appellant vanaf 24 augustus 2009 reeds 40 uren per week bezig was met de onderneming. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet langer recht had op een WW-uitkering omdat zijn werknemerschap verloren is gegaan Appellant heeft de hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Het moet appellant duidelijk zijn geweest zijn dat hij tijdens de onderzoeksperiode uitsluitend onderzoeksactiviteiten mocht verrichten. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de voorlichting van het Uwv, en dan met name van zijn werkcoach in deze periode en op dit punt, te kort is geschoten. Het Uwv was gehouden de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen. De overwegingen op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat in het geval van appellant geen dringende redenen aanwezig zijn om van intrekking en terugvordering af te zien, zijn juist. De Raad merkt daarbij nog op dat appellant de stelling dat het voortbestaan van het bedrijf van appellant in gevaar komt niet heeft onderbouwd. Appellant valt niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken. Het Uwv was dan ook gehouden appellant een boete op te leggen. Gelet op de ernst van de overtreding en op alle overige ten aanzien van appellant gebleken omstandigheden is de opgelegde boete van € 1.250,- een evenredige sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6211 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 oktober 2010, 10/1229 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2011. Appellant en mr. Van den Berg zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft het Uwv met ingang van 1 juli 2009 aan appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend op basis van een gemiddeld arbeidsurenverlies van 39,23 uur per week. Op verzoek van appellant heeft het Uwv hem toestemming verleend om met behoud van uitkering in de periode van 13 juli 2009 tot en met 4 oktober 2009 onderzoek te doen naar het starten van een eigen bedrijf. Appellant is er daarbij op gewezen dat hij tijdens de onderzoeksperiode alleen onderzoeksactiviteiten mag verrichten.

1.2. Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft het Uwv appellant toestemming in de zin van artikel 77a van de WW verleend om voor de periode van 5 oktober 2009 tot en met 4 april 2010 met behoud van uitkering werkzaamheden te gaan verrichten in een eigen bedrijf. De uitkering van appellant is beëindigd met ingang van 5 april 2010.

1.3. Op basis van bevindingen, neergelegd in een onderzoeksrapport van 15 april 2010, heeft het Uwv bij besluiten van 19 en 27 mei 2010 appellant een boete opgelegd van € 1.250,-, zijn WW-uitkering ingetrokken met ingang van 5 oktober 2009 en een bedrag van € 12.401,96 als onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 5 oktober 2009 tot en met 4 april 2010 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 14 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Volgens het Uwv had appellant met ingang van 5 oktober 2009 geen recht op WW-uitkering omdat hij op dat moment reeds volledig als zelfstandige werkzaam was. Niet is gebleken dat de terugvordering onjuist is vastgesteld. Omdat appellant zijn verplichtingen om tijdig en volledig informatie te verschaffen niet is nagekomen is appellant de boete van € 1.250,- opgelegd. Er is geen sprake van een dringende reden of van verminderde verwijtbaarheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en het Uwv als verweerder zijn aangeduid, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen:

“3.1. In artikel 20, eerste lid en onder a, en tweede lid, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

3.2. Ingevolge artikel 20, tweede lid van de WW eindigt voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, het recht op uitkering ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht waarvan hij niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd.

3.3. Eiser betwist niet dat hij al in de tweede oriëntatieperiode meer dan 40 uur per week aan zijn bedrijf heeft besteed in die zin dat hij bezig is geweest met een verbouwing van de bedrijfsruimte. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn veronderstelling dat deze werkzaamheden niet zouden vallen onder werkzaamheden als zelfstandige. Daar komt bij dat eiser opdrachten voor zijn bedrijf heeft binnengehaald en borduurtesten heeft gedaan. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat eiser al voorafgaand aan de startperiode volledig was aan te merken als zelfstandige , waardoor hij niet langer recht had op een WW-uitkering omdat zijn werknemerschap verloren is gegaan op grond van het bepaalde in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de WW.

3.4. De rechtbank vat het betoog van eiser, dat hij onvoldoende of onjuist is geïnformeerd, op als beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat door gedragingen of toezeggingen van de zijde van het UWV een zodanig in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt, dat het UWV niet gehouden is het recht op uitkering in te trekken en/of hetgeen onverschuldigd is betaald niet terug te vorderen, is de rechtbank niet gebleken. In de brieven van 13 juli 2009 en 24 augustus 2009 is immers nadrukkelijk aangegeven dat het niet de bedoeling was dat eiser de onderzoekstijd in de oriëntatieperiode zou gebruiken voor het werk voor zijn bedrijf of het binnenhalen van opdrachten. Letterlijk is het volgende aangegeven: “Let erop dat u tijdens de onderzoeksperiode alleen onderzoeksactiviteiten mag verrichten. Als u in die periode concrete opdrachten binnenhaalt of uitvoert, dan stopt uw onderzoeksperiode. U moet dan de uren die u besteedt aan uw bedrijf doorgeven aan het UWV én aan de Belastingdienst. Het gaat daarbij om álle uren, dus ook om reistijd en de uren die u besteedt aan administratie, studie en het binnenhalen van opdrachten. Over deze uren krijgt u géén uitkering meer.”

Onder het vervolgkopje: “Geef alle uren door” is verder zonder voorbehoud aangegeven dat het belangrijk is alle uren door te geven die aan het bedrijf worden besteed.

Het is naar het oordeel van de rechtbank evident dat een verbouwing van de bedrijfsruimte niet als onderzoeksactiviteit kan worden aangemerkt.

3.5. Ook is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Daarbij tekent de rechtbank aan dat terugvordering van onverschuldigd betaalde WW-uitkering dwingend is voorgeschreven. Hetgeen door eiser is aangevoerd kan niet worden aangemerkt als een dringende reden in die zin dat daarmee is gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor eiser zal leiden.

3.6. De slotsom van bovenstaande moet dan ook zijn dat verweerder op goede grond heeft vastgesteld dat het recht op WW-uitkering op grond van artikel 20, tweede lid, van de WW is geëindigd en dat verweerder, nu eiser van de verrichte werkzaamheden geen melding heeft gemaakt op de daarvoor geëigende wijze, het recht op uitkering terecht heeft ingetrokken.

Door de intrekking van de uitkering en, daaraan gekoppeld, de terugvordering in te laten gaan op 5 oktober 2009 heeft verweerder eiser zeker niet tekort gedaan.

4. Met betrekking tot de boete zijn namens eiser geen nadere gronden aangevoerd. De rechtbank zal deze daarom verder onbesproken laten.”.

3.1. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft weliswaar betoogd dat hij geen werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht, maar daarvoor bieden de voorhanden zijnde gegevens geen steun. Voor de Raad staat, gelet op bedoelde gegevens, vast dat appellant vanaf 24 augustus 2009 reeds 40 uren per week bezig was met de onderneming. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet langer recht had op een WW-uitkering omdat zijn werknemerschap verloren is gegaan op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de WW.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden dan wel dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

4.2.1. Appellant heeft niet aan het Uwv gemeld dat hij tijdens de onderzoeksperiode een nieuwe machine had aangeschaft en geïnstalleerd en een ruimte tot bedrijfsruimte had verbouwd. Verder heeft appellant niet eerder dan op 6 oktober 2009 aan het Uwv kenbaar gemaakt dat hij samen met zijn dochter en schoonzoon genoemde activiteiten had ondernomen en al een investering van € 30.000,- voor het bedrijf had gedaan. Evenmin heeft hij het Uwv ervan op de hoogte gesteld dat hij vanaf 24 augustus 2009 40 uren per week bezig was geweest in of voor de onderneming. Hieruit volgt dat appellant de ingevolge artikel 25 van de WW op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.

4.2.2. Op grond van de brieven van het Uwv van 13 juli en 24 augustus 2009 moet het appellant duidelijk geweest zijn dat hij tijdens de onderzoeksperiode van 13 juli tot en met 4 oktober 2009 uitsluitend onderzoeksactiviteiten mocht verrichten. De bewoordingen van die brieven zijn wat dat betreft ondubbelzinnig. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de voorlichting van het Uwv, en dan met name van zijn werkcoach in deze periode en op dit punt, te kort is geschoten. Appellant heeft er bij de gesprekken met die werkcoach op 9 juni, 17 juli en 28 augustus 2009 niet op gewezen dat en in welke omvang hij reeds sedert de aanvang van zijn werkloosheid werkzaamheden verrichtte. Onder die omstandigheden kan geen betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat de werkcoach appellant er niet op heeft gewezen dat een zogenoemde startersperiode met behoud van uitkering niet mogelijk was.

4.3. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen. De overwegingen op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat in het geval van appellant geen dringende redenen aanwezig zijn om van intrekking en terugvordering af te zien, zijn juist. De Raad merkt daarbij nog op dat appellant de stelling dat het voortbestaan van het bedrijf van appellant in gevaar komt niet heeft onderbouwd.

4.4. De gronden in hoger beroep ten aanzien van de door het Uwv opgelegde boete komen neer op een herhaling van de stellingen die appellant heeft betrokken ten aanzien van de herziening en de terugvordering. Voor de wijze van toetsing wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 11 maart 2009, LJN BH7780 en van 27 mei 2010, LJN BM5914. Zoals hierboven uiteengezet heeft appellant het Uwv onvolledig en te laat geïnformeerd over zijn activiteiten. Hiervan valt appellant niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken. Op grond van de bij brieven van 13 juli 2009 en 24 augustus 2009 door het Uwv verstrekte informatie had appellant moeten beseffen dat zijn in 4.2.1 genoemde activiteiten van invloed konden zijn op het recht op uitkering en dus meteen gemeld hadden moeten worden. Het Uwv was op grond van artikel 27a van de WW dan ook gehouden appellant een boete op te leggen. Gelet op de ernst van de overtreding en op alle overige ten aanzien van appellant gebleken omstandigheden is de Raad van oordeel dat de opgelegde boete van € 1.250,- een evenredige sanctie is.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H. Bolt en H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. van Eijndthoven.

TM