Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9988

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
08/6724 WWB + 11/3578 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na een tussenuitspraak (LJN BP9074) heeft het College bij besluit van 30 mei 2011, een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij dit besluit zijn enkele door de Raad geconstateerde gebreken die aan het besluit van 4 maart 2008 kleefden hersteld. Geen opgave gedaan van ontvangen TRI-uitkering. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Schending inlichtingenverplichting. Geen grond voor het oordeel dat de mate van verwijtbaarheid het College aanleiding had moeten geven de verlaging te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6724 WWB

11/3578 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 oktober 2008, 08/587 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Smeets, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 november 2010 heeft de Raad het College verzocht enkele stukken in te zenden. Op dit verzoek heeft het College bij brief van 25 november 2010 gereageerd en daarbij kenbaar gemaakt niet bij machte te zijn de gevraagde stukken in te brengen.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 februari 2011. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

Na een tussenuitspraak van de Raad van 15 maart 2011, LJN BP9074 (hierna: tussenuitspraak), heeft het College bij besluit van 30 mei 2011, verzonden op 1 juni 2011, een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Mr. P.A. van Enckevort, kantoorgenoot van mr. Smeets, heeft namens appellante haar zienswijze over dit besluit naar voren gebracht.

Bij brief van 1 augustus 2011 heeft het College enkele stukken, die aan het besluit van 30 mei 2011 ten grondslag liggen, ingezonden.

Bij brief van 9 september 2011 heeft de Raad appellante in de gelegenheid gesteld te reageren op de ingezonden stukken en aan de hand van afschriften van haar bankrekening met nummer [nummer] over de periode van 15 december 2005 tot en met 11 april 2006 aannemelijk te maken dat de aan haar toegekende uitkering ingevolge de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI) niet op deze bankrekening is uitbetaald.

Appellante heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De meervoudige kamer van de Raad heeft besloten de zaak te verwijzen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming is uitgegaan naar de tussenuitspraak.

2. De Raad stelt vast dat het College bij zijn besluit van 30 mei 2011 enkele door de Raad geconstateerde gebreken die aan het besluit van 4 maart 2008 kleefden heeft hersteld. Het College heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het door appellante op 6 oktober 2005 ondertekende formulier, waarmee zij een TRI-uitkering heeft aangevraagd, en het besluit van het Uwv van 25 oktober 2005 waarbij aan appellante met ingang van 12 oktober 2005 de TRI-uitkering is toegekend, opgevraagd en verkregen. Het bewijs dat de TRI-uitkering in de periode van 17 december 2005 tot en met 11 april 2006 daadwerkelijk is uitbetaald op de door appellante opgegeven bankrekening was volgens telefonische opgave van de zijde van het Uwv niet doenlijk, omdat de TRI inmiddels is afgeschaft en het betalingssysteem werd uitgefaseerd. Voorts heeft het College bij besluit van 30 mei 2011 vastgesteld dat de bijstand van appellante ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) is herzien met ingang van 17 december 2005 en dat de datum van 15 december 2007 op een abuis berust. Ten slotte heeft het College bij besluit van 30 mei 2011 de verlaging van de bijstand van appellante met 25% gedurende een maand met ingang van 1 september 2007 nader gemotiveerd.

3.1. De Raad stelt vast dat, nu met het besluit van 30 mei 2011 niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

3.2. De Raad heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de over juli 2007 aan appellante betaalde TRI-uitkering terecht is verrekend met haar bijstandsuitkering over augustus 2007. In geschil is of het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante over de periode van 17 december 2005 tot en met 11 april 2006 te herzien op de grond dat appellante geen opgave heeft gedaan van de TRI-uitkering, die zij in die periode heeft ontvangen. Als gevolg van deze herziening heeft het College de over deze periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.383,09 van appellante teruggevorderd. Voorts heeft het College de bijstand met ingang van 1 september 2007 gedurende een maand met 25% verlaagd omdat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen opgave heeft gedaan van de ontvangen TRI-uitkering in genoemde periode en geen tijdige opgave van de met ingang van 10 juli 2007 toegekende TRI-uitkering.

3.3. De Raad is van oordeel dat het College aan de hand van het aanvraagformulier en het toekenningsbesluit van het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden door geen opgave te doen van de TRI-uitkering die aan haar met ingang van 12 oktober 2005 is toegekend. Daarbij tekent de Raad aan dat het toekenningsbesluit van 25 oktober 2005 is verzonden naar het woonadres van appellante en dat er geen aanwijzingen bestaan dat appellante destijds geen kennis heeft genomen van dat besluit. Appellante heeft haar woning immers eerst in december 2005 verlaten. Voorts heeft de Raad geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat de TRI-uitkering niet is uitbetaald op de bankrekening, die appellante zelf op het aanvraagformulier TRI heeft opgegeven. Naar het oordeel van de Raad ligt het op de weg van appellante om aan de hand van afschriften van deze bankrekening aannemelijk te maken dat de over de periode van 12 oktober 2005 tot en met 11 april 2006 toegekende TRI-uitkering niet op die rekening is overgemaakt. Hoewel appellante daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft zij dit niet aan de hand van bankafschriften aannemelijk gemaakt. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat de over genoemde periode toegekende TRI-uitkering ook daadwerkelijk aan appellante is uitbetaald. Dit betekent dat het College bevoegd was onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de periode van 17 december 2005 tot en met 11 april 2006 te herzien. De wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt heeft appellante niet bestreden. Appellante heeft tegen de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.373,09 geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

3.4. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB is in dit geval de Afstemmingsverordening WWB van de gemeente Venlo (hierna: Afstemmingsverordening).

3.5. Artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Afstemmingsverordening kan het College afzien van verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

3.6. Appellante heeft, zoals hiervoor overwogen, geen opgave gedaan van de ontvangen TRI-uitkering vanaf 17 december 2005 en evenmin van de met ingang van 10 juli 2007 toegekende TRI-uitkering. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het College was derhalve gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellante te verlagen.

3.7. Op grond van de Afstemmingsverordening wordt bij een schending van de inlichtingenverplichting, die heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand tot een bedrag tussen € 1.000,-- en € 2.000,--, de bijstand met 25% gedurende een maand verlaagd. Bij besluit van 30 mei 2011 heeft het College gemotiveerd overwogen dat de schending van de inlichtingenverplichting appellante volledig kan worden aangerekend. In reactie daarop heeft appellante in de zienswijze aangegeven dat zij de TRI-uitkering nimmer op haar bankrekening heeft ontvangen, zodat voor haar geen reden bestond om hiervan melding te maken bij het College. Zoals hiervoor is overwogen, kan de Raad deze zienswijze niet onderschrijven. Bovendien was appellante door het toekenningsbesluit ervan op de hoogte dat het Uwv aan haar, overeenkomstig de aanvraag, met ingang van 12 oktober 2005 de TRI-uitkering heeft toegekend. Appellante is de op haar rustende inlichtingenverplichting derhalve niet naar behoren nagekomen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de mate van verwijtbaarheid het College aanleiding had moeten geven de verlaging te matigen. In de door appellante aangevoerde omstandigheden ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat het College aanleiding had moeten zien af te zien van de verlaging dan wel deze te beperken.

4. De Raad komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hetgeen onder 3.3 tot en met 3.7 is overwogen tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 gegrond verklaren en dat besluit, zover dat ziet op de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 15 december 2005 tot en met 11 april 2006 en de verlaging van 25% gedurende een maand, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Tevens zal de Raad het beroep tegen het besluit van 30 mei 2011 ongegrond verklaren.

5. Tot slot ziet de Raad aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 805,-- in beroep (een punt voor het beroepschrift, een punt voor het bijwonen van de zitting en een half punt voor het geven van een zienswijze) en op € 655,50 in hoger beroep (een punt voor het hoger beroepschrift en een half punt voor het geven van een zienswijze) voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 1.460,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het betreft de herziening en terugvordering van bijstand over de periode van 17 december 2005 tot en met 11 april 2006 en de verlaging van de bijstand met 25% gedurende een maand met ingang van 1 september 2007;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 mei 2011 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.460,50;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD