Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
10-2394 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanspraak op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de RBBU op bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. De omstandigheid dat appellant zich om medische redenen genoodzaakt zag te verhuizen, betekent op zichzelf niet dat hij met personen uit een van de genoemde groepen kan worden gelijkgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2394 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 maart 2010, 08/2048 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 15 november 2011. Partijen zijn, zoals bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 27 februari 2008 bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van verhuizing naar en de inrichting van zijn nieuwe woning. Bij besluit van 9 april 2008 heeft het College op deze aanvraag afwijzend beslist. De bijzondere bijstand voor inrichtingskosten is geweigerd op de grond dat appellant niet behoort tot een van de doelgroepen van de gemeente Utrecht die daarvoor in aanmerking komen. De bijzondere bijstand voor verhuiskosten is geweigerd op de grond dat appellant voor deze kosten een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, namelijk de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daarbij is appellant erop gewezen dat als de aanvraag voor verhuiskostenvergoeding op basis van de Wmo wordt afgewezen hij voor deze kosten opnieuw bijstand kan aanvragen.

1.2. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het College het bezwaar van appellant inzake de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten ongegrond verklaard. Het College heeft uit het bezwaarschrift afgeleid dat het bezwaar zich niet richt tegen de weigering van bijzondere bijstand voor verhuiskosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 mei 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 april 2008 alleen was gericht tegen de weigering van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. In het bezwaarschrift van 18 april 2008 heeft appellant aangevoerd dat hij daarbij bezwaar maakt tegen het feit dat zijn verzoek om (bijzondere bijstand voor) inrichtingskosten is afgewezen. Daarin heeft appellant aangevoerd dat hij het niet eens is met het standpunt van het College dat hij niet in dezelfde situatie zit als de mensen van de genoemde doelgroepen. Hij vraagt zich af hoe hij het geleende geld moet terugbetalen als hij geen (bijstand voor) inrichtingskosten krijgt. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid het bezwaar tijdens de hoorzitting op 20 mei 2008 toe te lichten. Naar het oordeel van de Raad heeft het College op basis van de bewoordingen van het bezwaarschrift zich op het standpunt kunnen stellen dat het bezwaar alleen gericht is tegen de weigering van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en bij de beoordeling van het bezwaar zich derhalve kunnen beperken tot de vraag of die weigering kan worden gehandhaafd. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellant na de afwijzing van de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding op basis van de Wmo op 1 juli 2008 opnieuw bijzondere bijstand voor deze kosten heeft aangevraagd en dat hij, naar het College onweersproken heeft gesteld, tegen het afwijzende besluit van 18 juli 2008 geen bezwaar heeft gemaakt. Derhalve is ook in hoger beroep uitsluitend aan de orde de weigering van het College om aan appellant bijzondere bijstand te verlenen voor inrichtingskosten.

4.2. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 35, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.3. Ingevolge artikel 17 van de Richtlijnen bijzondere bijstand Utrecht 2004 (RBBU) komen de noodzakelijke kosten van inrichting van een woning voor bijstandsverlening in aanmerking, indien de belanghebbende behoort tot een van de volgende doelgroepen en feitelijk geen goederen en/of middelen bezit om een woning in te richten:

a. mensen, die een verblijfsvergunning hebben gekregen en op basis van de taakstelling huisvesting vluchtelingen voor de eerste maal in Utrecht een woning krijgen;

b. mensen, die na afloop van een Voorlopige Vergunning tot Verblijf (VVTV) in Utrecht een woning betrekken;

c. daklozen, die opnieuw een woning betrekken;

d. mensen uit een vrouwenopvanghuis, die opnieuw een woning gaan betrekken;

e. mensen, die uit een langdurige detentie of (psychiatrische) opname komen en opnieuw een woning betrekken;

f. mensen, die hun huis hebben vervuild en waarbij de GG&GD een schoonmaakoperatie heeft uitgevoerd;

g. overige mensen, die op grond van individuele omstandigheden aan een van de in a t/m f genoemde groepen kunnen worden gelijkgesteld.

4.4. Artikel 46, eerste lid, van de RBBU bepaalt dat Burgemeester en wethouders aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van het vorenstaande bijstand kunnen verlenen indien zeer dringende reden daartoe noodzaken.

4.5. Het geding tussen partijen spitst zich toe op de vraag of appellant op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de RBBU aanspraak kan maken op bijzondere bijstand voor inrichtingskosten.

4.6. Vaststaat dat appellant niet behoort tot een van de doelgroepen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de RBBU, zodat de vraag voorligt of hij kan worden aangemerkt als een persoon die op grond van individuele omstandigheden met wel tot de doelgroepen behorende personen kan worden gelijkgesteld. De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank en het College ontkennend. Appellant is vanuit de ouderlijke woning op 1 juli 2007 verhuisd naar een studentenkamer. In verband met de ligging van deze woonruimte op de eerste etage, die alleen per trap was te bereiken, heeft appellant op basis van een medische indicatie een woning toegewezen gekregen, die per lift bereikbaar was. Deze woning heeft hij op 16 april 2008 betrokken. De situatie van appellant is niet vergelijkbaar met personen, als bedoeld in de onderdelen a tot en met f, die door bijzondere omstandigheden voor het eerst of opnieuw een woning krijgen toegewezen en moeten inrichten of waarvan na een schoonmaakoperatie door de GG&GD een nieuwe inrichting noodzakelijk is. De omstandigheid dat appellant zich om medische redenen genoodzaakt zag te verhuizen, betekent op zichzelf niet dat hij met personen uit een van de genoemde groepen kan worden gelijkgesteld.

4.7. De enkele omstandigheid dat sprake is van een verhuizing om medische reden leidt de Raad evenmin tot het oordeel dat het College onder toepassing van artikel 46, eerste lid, van de RBBU aan appellant bijstand had moeten verlenen voor de inrichtingskosten.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.9. Gelet op de uitkomst van dit geding is er geen ruimte voor veroordeling van het College tot schadevergoeding. De Raad wijst het verzoek van appellant dan ook af.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) E. Heemsbergen.

IJ