Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
10-4122 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking uitkering ingevolge de ZW. De deskundige heeft op inzichtelijke en deugdelijke wijze gerapporteerd. Zijn conclusies sluiten bovendien aan bij die van de (bezwaar) verzekeringsartsen. Appellant heeft betoogd dat bij hem wel kenmerken van een ernstige depressieve stoornis aanwezig zijn, maar zulks niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Gelet op de beschikbare gegevens omtrent de arbeid die laatstelijk is verricht, acht de Raad voldoende basis aanwezig voor het oordeel dat appellant, mede gezien het bepaalde in artikel 19, vijfde lid, van de ZW, op de datum in geding niet ongeschikt is te achten voor het eigen werk .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4122 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 juni 2010, 08/1191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 7 september 2010 een rapport van dezelfde datum van

P.M. Cramer, bezwaarverzekeringsarts, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2011. Appellant was, bijgestaan door boven vermelde gemachtigde, aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, voorheen werkzaam als productiemedewerker dierproducten (inpakker), heeft zich op 5 september 2007, vanuit de situatie dat hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met spanningsklachten en klachten aan de nek, het hoofd en de schouders. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 5 september 2007 geconstateerd dat er alleen sprake was van een lichte depressie met spanningsklachten en dat behoudens het voorschrijven van medicatie er geen sprake was van een specifieke behandeling. Appellant is dan ook geschikt te achten voor het eigen werk. Bij besluit van

12 november 2007 is vervolgens door het Uwv diens uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per 19 november 2007 ingetrokken. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het laatst genoemd besluit. Daarbij is aangegeven dat de ernst van zijn depressieve klachten en van zijn hoofdpijnklachten is onderschat. Zijn gezondheid is sedert september 2007 niet verbeterd, waardoor hij geen enkele vorm van productieve arbeid kan verrichten. Na een rapportage van 25 februari 2008 opgesteld door A.A.W. Haver, bezwaarverzekeringsarts, is het bezwaar bij besluit van 5 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank er allereerst op gewezen, dat de bezwaarverzekeringsarts Haver voornoemd bij onderzoek van appellant heeft geconstateerd dat de lage rugfunctie intact is en dat de beweeglijkheid van de nek als normaal is aan te merken. Op het psychisch vlak is geen sprake van een ernstige psychopathologie. Namens appellant is gewezen op een brief van

9 juni 2009 van de psychiater J.W. Jessurun, die spreekt van een depressieve stoornis, chronisch en matig/ernstig. In verband met dit verschil van mening heeft de rechtbank de psychiater J. Rübsaam gevraagd om van verslag en advies te dienen. Deze deskundige heeft appellant onderzocht en op 17 februari 2010 rapport uitgebracht, waarin hij stelt dat het beeld van de klachten van appellant ten tijde van het onderzoek niet wezenlijk verschilt van diens gezondheidssituatie in november 2007. Er is wel sprake van een depressieve stoornis, maar deze is als licht aan te merken, met name omdat appellant slechts voldoet aan een deel van de kenmerken van een depressieve episode. Een en ander kan leiden tot beperkingen zoals gebrek aan motivatie en concentratie, maar deze beperkingen zijn niet zodanig dat appellant zijn eigen werk niet op de datum in geding zou kunnen verrichten. De rechtbank heeft vervolgens geen reden gezien om de deskundige niet te volgen. De deskundige heeft, volgens de rechtbank, op inzichtelijke wijze gerapporteerd en zijn conclusies vloeien op logische wijze uit zijn bevindingen voort.

3. Namens appellant is in hoger beroep wederom aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Tevens heeft hij gesteld, dat bij hem wel degelijk kenmerken waarneembaar zijn die wijzen op een als ernstig aam te merken depressieve stoornis, zoals een daling van het activiteiten niveau, verminderde eetlust , slapeloosheid en energieverlies.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Het hoger beroep slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van een onafhankelijke door de rechter benoemde deskundige te worden gevolgd, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die het afwijken van dit oordeel rechtvaardigen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake is. De deskundige Rübsaam heeft op inzichtelijke en deugdelijke wijze gerapporteerd. Zijn conclusies sluiten bovendien aan bij die van de (bezwaar) verzekeringsartsen. Appellant heeft betoogd dat bij hem wel kenmerken van een ernstige depressieve stoornis aanwezig zijn, maar zulks niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Gelet op de beschikbare gegevens omtrent de arbeid die laatstelijk is verricht, acht de Raad voldoende basis aanwezig voor het oordeel dat appellant, mede gezien het bepaalde in artikel 19, vijfde lid, van de ZW, op de datum in geding niet ongeschikt is te achten voor het eigen werk . De Raad ziet dan ook geen aanleiding om de deskundige Rübsaam nadere vragen te stellen of voor het gelasten van een nieuw onderzoek door een deskundige.

4.3. Uit hetgeen 4.2 onder is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) G.J. van Gendt.

IvR