Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
10/3320 ANW + 11/1359 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning ouderdomspensioen voor een gehuwde dan wel ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3320 ANW

11/1359 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 19 mei 2010, 09/5494 (hierna: aangevallen uitspraak I) en van de rechtbank Breda van 4 februari 2011, 10/4515 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.M.F. Snelder, advocaat te Breda, bij afzonderlijke beroepschriften hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met het onderzoek in de gedingen met de reg.nrs. 10/3323 AOW en 11/1362 AOW plaatsgevonden op 8 november 2011, waar namens appellante is verschenen mr. Snelder en waar de Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaken met de reg. nrs. 10/3320 ANW en 11/1359 AOW wordt heden uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in oktober 1945, ontving na het overlijden van haar echtgenoot in april 1976 een nabestaandenuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw).

1.2. Appellante verhuurt sinds 23 april 1995 in haar woning aan de [adres 1] te [gemeente] een kamer aan [naam huurder] (hierna: [huurder]). De verhuur heeft tot 2009 geen gevolgen gehad voor (de hoogte van) haar nabestaandenuitkering, omdat de Svb tot 2009 steeds heeft aangenomen dat sprake was van een commerciële relatie tussen appellante en [huurder]. Die laatste is geboren in augustus 1934. Hij ontving sinds augustus 1999 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde.

1.3. In het kader van een zogenoemd herhalingsonderzoek commerciële relatie hebben twee medewerkers van de unit opsporing van de Sociale verzekeringsbank vestiging Breda, op 21 januari 2009 een onaangekondigd huisbezoek verricht. Van het huisbezoek is een rapportage opgemaakt. Tijdens het bezoek hebben de medewerkers appellante en [huurder] gehoord en een checklist ingevuld ten behoeve van de beoordeling van de vraag of al dan niet een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Appellante en [huurder] hebben de checklist beiden ondertekend.

1.4. Bij besluit van 20 maart 2009 heeft de Svb de betaling van de nabestaandenuitkering van appellante en het daarbij behorende vakantiegeld met ingang van 1 maart 2009 verlaagd naar 30% van het minimumloon op de grond dat appellante vermoedelijk een gezamenlijke huishouding voert.

1.5. Op 25 en 26 maart 2009 is er telefonisch contact geweest tussen appellante en medewerkers van de Sociale verzekeringsbank. Volgens de daarvan opgemaakte rapporten heeft appellante op 25 maart 2009 in paniek contact opgenomen met de Svb, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de Svb over een periode van vijftien jaar ten onrechte uitgekeerde nabestaandenuitkering van haar zou terugvorderen. Appellante is op 26 maart 2009 door een medewerker teruggebeld. In dat gesprek is de samenwoning van appellante en [huurder] aan de orde geweest en heeft appellante verklaard dat zij sinds een jaar of drie voor [huurder] zorgt, nadat hij is ziek geworden. Zij helpt hem met onder meer de administratie en zij pint voor hem. Voor die tijd was dit niet het geval: [huurder] zorgde echt voor zichzelf.

1.6. Conform de afspraken, gemaakt tijdens de in 1.5 genoemde telefoongesprekken, heeft de Svb bij brief van 27 maart 2009 de inhoud van de telefoongesprekken bevestigd en meegedeeld dat hij van plan is om 1 januari 2006 als omslagpunt aan te houden van een commerciële relatie naar een gezamenlijke huishouding. Tevens zijn appellante en [huurder] verzocht een handtekening te zetten voor akkoord, indien zij het met deze zienswijze eens zijn. Op 29 maart 2009 hebben appellante en [huurder] voor akkoord getekend.

1.7. Bij besluit van 24 juni 2009 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij recht op nabestaandenuitkering heeft tot en met 31 januari 2006 en daarna niet meer, omdat zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [huurder].

1.8. Bij besluit van 9 november 2009 heeft de Svb, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 maart 2009 ongegrond verklaard. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 juni 2009 heeft de Svb gegrond verklaard. De Svb heeft het besluit van 24 juni 2009 ingetrokken en appellante meegedeeld dat zij recht heeft op een nabestaandenuitkering tot en met 31 maart 2009. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante in ieder geval vanaf 21 januari 2009 een gezamenlijke huishouding met [huurder] voert. In de omstandigheid dat de Svb in voorgaande jaren steeds heeft aangenomen dat sprake was van een commerciële relatie tussen appellante en [huurder] en appellante er op mocht vertrouwen dat de Svb in die voorgaande jaren een juiste beslissing heeft genomen, heeft de Svb aanleiding gezien de nabestaandenuitkering niet met terugwerkende kracht te beëindigen.

1.9. Appellante heeft, in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd, bij aanvraag van 26 april 2010 de Svb verzocht aan haar een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toe te kennen. Bij besluit van 7 mei 2010 is aan appellante met ingang van oktober 2010 een ouderdomspensioen toegekend voor een gehuwde of een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding met een ander voert.

1.10. Bij besluit van 10 september 2010 heeft de Svb het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2010 ongegrond verklaard. Volgens de Svb is met ingang van oktober 2010 terecht ouderdomspensioen toegekend voor een gehuwde dan wel ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert. Bij zijn beoordeling is de Svb uitgegaan van de omstandigheid dat hij in het kader van de procedure inzake de beëindiging van appellantes nabestaandenuitkering al heeft beslist dat appellante en [huurder] een gezamenlijke huishouding voeren. Omdat appellante en [huurder] nog steeds op hetzelfde adres wonen, heeft de Svb aangenomen dat zich in hun leefsituatie geen wijzigingen hebben voorgedaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 november 2009 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak II is het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 10 september 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij betwist dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, omdat er volgens haar onvoldoende elementen zijn om wederzijdse zorg aan te nemen. Zij stelt zich op het standpunt dat de tijdens het huisbezoek ingevulde checklist niet aan de besluitvorming ten grondslag mag worden gelegd. Appellante is niet in staat gesteld de ingevulde checklist door te lezen en de medewerkers van de Sociale verzekeringsbank hebben niet meegedeeld wat zij hebben ingevuld. De weergave van haar antwoorden is niet correct. Appellante heeft het huisbezoek als imponerend en indrukwekkend ervaren en heeft daardoor de reikwijdte van de invulling en ondertekening van de checklist niet kunnen overzien. Dat geldt ook voor de ondertekening van de brief van 27 maart 2009. Appellante was in paniek, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de Svb vijftien jaar uitkering zou gaan terugvorderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw en artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 mei 2011, LJN BQ6613, dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.2. Niet in geschil is dat appellante en [huurder] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Partijen verschillen uitsluitend van mening over de vraag of sprake is van wederzijdse zorg tussen hen beiden.

4.3. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling, die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.4.1. De Raad volgt niet de stelling van appellante dat de Svb bij zijn besluitvorming niet uit mocht gaan van de tijdens het huisbezoek ingevulde checklist. Uit de handgeschreven toevoegingen bij de voorgedrukte keuzemogelijkheden op de checklist blijkt dat deze is opgesteld op basis van de door appellante en [huurder] tijdens het huisbezoek op 21 januari 2009 gegeven antwoorden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inhoud van de checklist onjuist is en dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Zij heeft de checklist zonder voorbehoud getekend. De omstandigheid dat zij het huisbezoek als imponerend en indrukwekkend heeft ervaren, maakt het voorgaande niet anders.

4.4.2. Appellante heeft zich vervolgens op 29 maart 2009 akkoord verklaard met het aanhouden van de datum 1 januari 2006 als omslagpunt van een commerciële relatie naar een gezamenlijke huishouding en de op 27 maart 2009 toegezonden brief voor akkoord ondertekend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellante in paniek verkeerde, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat over een periode van vijftien jaar uitkering van haar zou worden teruggevorderd, niet meebrengt dat appellante niet aan de akkoordverklaring kan worden gehouden. De woon- en leefsituatie is aan de orde geweest tijdens de gesprekken met de medewerkers van de Svb op 25 en 26 maart 2009 en appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om de brief van 27 maart 2009 te bestuderen en daarover met anderen te overleggen of advies in te winnen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding af te wijken van zijn vaste rechtspraak, waaronder bijvoorbeeld de uitspraak van 15 februari 2011, LJN BP5560, dat van de juistheid van een tegenover een medewerker van de Sociale Verzekeringsbank afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de checklist en de voor akkoord ondertekende brief van 27 maart 2009 voldoende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat vanaf 21 januari 2009 sprake is van wederzijdse zorg die hetgeen in een commerciële relatie gebruikelijk is te boven gaat. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank gehanteerde overwegingen en maakt die tot de zijne. Terecht heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de omstandigheden dat appellante en [huurder] het grootste deel van de tijd samen in de woning doorbrengen, dat zij beiden alle ruimten in de woning met uitzondering van de slaapkamers gebruiken, beiden de boodschappen betalen en elkaar helpen waar nodig is en voorts dat appellante de administratie voor [huurder] verzorgt, zijn post aan hem voorleest en incidenteel geld voor hem pint.

De Raad merkt in dit verband nog op dat indien sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning het niet bepalend is voor de vraag of een gezamenlijke huishouding bestaat of de betrokkenen dat hoofdverblijf zien als samenwonen, maar of uit de feitelijke praktische dagelijkse activiteiten voortvloeit dat sprake is van wederzijdse zorg. Dat laatste is hier het geval.

4.6. De Svb heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellante een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [huurder]. Daarom heeft de Svb terecht met toepassing van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van de Anw het nabestaandenpensioen van appellante met ingang van 1 april 2009 beëindigd.

4.7. Bij appellantes aanvraag om een ouderdomspensioenpensioen is de Svb er van uitgegaan dat appellante en [huurder] nog steeds een gezamenlijke huishouding voeren omdat er in hun situatie niets is veranderd. Gebleken is dat appellante en [huurder] nog steeds op hetzelfde adres woonachtig zijn. Appellante heeft in haar aanvraag geen melding gemaakt van wijzigingen in haar woon- en leefsituatie. Ook heeft zij niet bestreden dat de feitelijke situatie, zowel wat betreft het hoofdverblijf, als wat betreft de wederzijdse zorg, met ingang van oktober 2010 gelijk was aan de situatie ten tijde van de beëindiging van de nabestaandenuitkering in maart 2009. Nu de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding al is beoordeeld en aan de aanvraag precies de dezelfde feitelijke situatie ten grondslag ligt, heeft de Svb appellante terecht een AOW-pensioen toegekend voor een gehuwde dan wel ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van appellante niet slagen en dat de aangevallen uitspraken I en II voor bevestiging in aanmerking komen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken I en II.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) M. Zwart.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding

HD