Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
09/6592 WAO-T + 09/6593 WAO-T + 09/6594 WAO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Verlaging WAO-uitkering in verband met verhoogde inkomsten uit arbeid. Terugvordering. Weigering in het dagloon op te nemen de werkgeversbijdrage in de ziektenkostenverzekering. Weigering de door de oud werkgever betaalde pensioenpremie op te nemen in het dag- en maatmanloon. Het Uwv heeft zich geen rekenschap heeft gegeven van de vraag of ten tijde van de ziekmelding van appellante in de uitgeversbranche een wachtperiode voor intrede in het Pensioenfonds gebruikelijk was en op welke wijze in die periode werd omgegaan met het werknemersdeel in een eventuele reservering. Bij de beantwoording van die vragen zou kunnen blijken dat ook in die wachtperiode sprake is van een voordeel van appellante uit haar dienstbetrekking. De datering van het verzoek van appellante om herziening van het dagloon, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, moet worden gesteld op 17 juli 2006. Wat betreft de periode vóór 17 juli 2006 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat terzake geen sprake is van het stellen door appellante van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Wat betreft de periode na 17 juli 2006 heeft het Uwv niet bezien welke betekenis, gelet op de van toepassing zijnde regelingen, zou kunnen toekomen aan de nadere berekening voor de juistheid van het dagloon. Voorts is door het Uwv niet gemotiveerd ingegaan op het standpunt van appellante dat haar dagloon had moeten worden vastgesteld met toepassing van artikel 3 in plaats van artikel 7 van de destijds geldende Dagloonregelen WAO omdat appellante in het refertejaar bij meerdere werkgevers en tegen hogere verdiensten dan bij [B.V.] heeft gewerkt. Zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering ontbreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6592 WAO-T

09/6593 WAO-T

09/6594 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 oktober 2009, 08/1979, 08/1980 en 08/5306 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op 19 december 2010 correspondentie via de email met [pensioenfonds] ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

De Raad heeft het onderzoek heropend omdat dit niet volledig is geweest.

Partijen hebben over en weer hun visie gegeven over de na de zitting van 14 januari 2011 tussen hen gevoerde, maar mislukte onderhandelingen om tot een minnelijke regeling te komen. Appellante heeft in dit verband bij haar brief van 27 mei 2011 informatie van haar voormalige werkgever gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 18 november 2011.

Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was sinds 2 maart 1992 werkzaam als bestuursassistente bij [B.V.] ([B.V.]) en meldde zich met ingang van 13 april 1992 ziek in verband met een auto-ongeval. Aan appellante is, na ommekomst van de wettelijke wachttijd, met ingang van 10 april 1993 een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Daarbij is het dagloon vastgesteld op fl. 240,21 (€ 109,00). Tegen deze besluitvorming heeft appellante geen beroep ingesteld. De arbeidsovereenkomst tussen appellante en [B.V.] is door de kantonrechter met ingang van 1 mei 1993 ontbonden. Met ingang van 20 november 1994 is de WAO-uitkering van appellante herzien naar de klasse 65 tot 80% omdat zij in staat werd geacht passende werkzaamheden te verrichten. In 1994 is appellante gestart met werkzaamheden als zelfstandige. De inkomsten hieruit waren tot 1999 evenredig met deze klasse. In de periode tot en met 2005 zijn verschillende besluiten genomen ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, waartegen zij geen bezwaar of beroep heeft ingesteld.

2.1. Bij besluit van 28 maart 2008 (besluit 1) heeft het Uwv ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen betaling van haar uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 1 januari 2004 naar de klasse 65 tot 80% in verband met verhoogde inkomsten uit arbeid (besluit 4 oktober 2006), naar de klasse 55 tot 65% met ingang van 1 januari 2005 om dezelfde reden (besluit 4 oktober 2006) en eveneens naar die klasse over de periode van 1 januari 2006 tot 23 april 2006 (besluit 19 juli 2007). Voorts betrof de ongegrondverklaring haar bezwaren tegen terugvorderingen over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 ten bedrage van € 7.275,69 (besluit 5 oktober 2006) en over de periode 1 januari 2006 tot en met 22 april 2006 ten bedrage van € 1.013,52 (besluit van 20 juli 2007).

2.2. Bij besluit van 17 maart 2008 (besluit 2) heeft het Uwv – ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 29 januari 2008, 06/4552, inzake vernietiging van het besluit op bezwaar van 25 augustus 2006 inzake de herziening van de WAO-uitkering naar de klasse 45 tot 55% met ingang van 23 april 2006 (besluit 10 maart 2006) – vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 80 tot 100% is maar dat de uitkering wordt betaald naar de klasse 65 tot 80%.

2.3. Bij besluit van 3 oktober 2008 (besluit 3) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen de weigering in het dagloon vanaf 10 april 1993 op te nemen de werkgeversbijdrage in de ziektenkostenverzekering en tegen de weigering de door [B.V.] betaalde pensioenpremie op te nemen in het dag- en maatmanloon (besluit 30 mei 2008).

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellante tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.2.1. Wat betreft de besluiten 1 en 2 heeft de rechtbank ten aanzien van het werkgeversdeel in de pensioenpremie in de eerste plaats gewezen op de uitspraken van de Raad van 14 februari 1996 (LJN ZB6382) en 13 januari 1998 (LJN ZB7440). Volgens deze uitspraken wordt bij de vaststelling van het maatmanloon geen rekening gehouden met de werkgeversbijdrage tenzij de werkgever een meer dan gemiddeld aandeel van de premie voor zijn rekening nam. Voorts wees de rechtbank op het met ingang van 1 april 2002 in werking getreden Besluit uniformering loonkundige component arbeidsongeschiktheidsbeoordeling (Besluit van 22 augustus 2001, Stcrt 2001,169). Volgens dit Besluit maakt de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie geen deel meer uit van het maatmanloon. Op basis van een opgave pensioenpremie 1993 van [pensioensfonds], waarin is vermeld dat conform de arbeidsovereenkomst van 2 maart 1992 met de start van de pensioenopbouw van appellante op 1 maart 1993 is begonnen, stelde de rechtbank vast dat het Uwv terecht een eventuele werkgeversbijdrage bij de vaststelling van het maatmanloon, op basis van het laatst verdiende loon voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, buiten beschouwing heeft gelaten. Voor dat intreden was immers, aldus de rechtbank, nog geen werkgeversbijdrage betaald.

3.2.2. Gelet op besluit 1 oordeelde de rechtbank voorts dat het voor de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklassen van appellante niet uitmaakt of het Uwv uitging van de door haar genoemde werkweek van 38 uur dan wel de door het Uwv aangehouden werkweek van 40 uur, op basis waarvan het maatmanuurloon was omgerekend naar een jaarloon.

3.3.1. Wat betreft de in besluit 3 vervatte weigering om het dagloon te herzien stelde de rechtbank – onder verwijzing naar de vaste rechtpraak van de Raad inzake de toepassing van artikel 4:6 van de Awb - dat geen sprake was van het in geding brengen door appellante van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van zodanige aard dat zij tot andere besluitvorming aanleiding kunnen geven.

3.3.2. De rechtbank heeft, omdat het Uwv er voor heeft gekozen het verzoek om herziening van het dagloon gemotiveerd af te wijzen, niettemin ter voorlichting van partijen inhoudelijke overwegingen gewijd aan deze motivering en concludeerde dat de motivering van het Uwv betreffende de afwijzing van opneming van de bijdrage van de werkgever in de premie ziektekostenverzekering en in de pensioenpremie als juist moet worden beschouwd.

3.4. Wat betreft de terugvordering heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante daartegen geen afzonderlijke gronden heeft ingebracht.

4.1. In hoger beroep heeft appellante haar in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald.

5.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat in hoger beroep wat betreft het oordeel van de rechtbank over de besluiten 1, 2 en 3 uitsluitend in geding is de juistheid van de vaststelling van het maatmanloon en het dagloon. Voorts is door appellante ter zitting van 14 januari 2011 verklaard dat het geschilpunt over de bijdrage van de werkgever in de ziektekostenverzekering niet meer aan de orde is.

5.2. De Raad stelt voorts vast dat, gelet op overweging 5.1 en het verhandelde ter zitting van 18 november 2011, wat betreft de vaststelling van het maatmanloon nog in geschil is de door appellante gestelde werkgeversbijdrage in de pensioenpremie, de door appellante gestelde op 27 maart 1992 vanwege [B.V.] gedane toezegging betreffende een toen toekomstige loonsverhoging en het uitgangspunt inzake het aantal in aanmerking te nemen uren per week. Voorts betreft het geschil omtrent de herziening van het dagloon de toepassing door het Uwv van de zogenoemde vastloonbepaling van artikel 7 van de bij de vaststelling van het dagloon geldende Dagloonregelen WAO in plaats van het door appellante voorgestane artikel 3 omdat er in het refertejaar sprake was van dienstverbanden met verschillende werkgevers. Ten slotte gaat het bij het dagloon volgens appellante ook om de verdiscontering daarin van de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie.

5.3.1. De Raad overweegt wat betreft de door appellante gestelde toezegging als omschreven in overweging 5.2 dat appellante van mening is, bijvoorbeeld in haar brief van 6 december 2009 waarnaar zij verwijst in haar brief van 24 maart 2011, dat op 27 maart 1992 tijdens een evaluatiegesprek met het toenmalige hoofd P&O van [B.V.] is overeengekomen dat de samenwerking zou worden voortgezet en dat de bespreking over het nieuwe salaris uiteindelijk op 16 april 1992 zou plaatsvinden. Vaststelling van het nieuwe salaris volgde, aldus appellante, uit de arbeidsovereenkomst tussen haar en [B.V.] van 2 maart 1992 waarin onder meer was bepaald dat bij continuering op uiterlijk 2 april 1992 van de samenwerking de arbeidsvoorwaarden opnieuw worden vastgesteld. Volgens appellante zou die nieuwe vaststelling betekenen dat haar voorlopige inschaling in functiegroep 10 van de toepasselijke CAO zou worden omgezet in inschaling in functiegroep 11. Vanwege het verkeersongeluk op 11 april 1992 heeft het naar 16 april 1992 verschoven gesprek met het hoofd P&O echter niet meer plaatsgevonden.

5.3.2. De Raad stelt vast dat hem niet gebleken is dat aan appellante op 27 maart 1992 een toezegging met als uitkomst inschaling in een hogere functiegroep is gedaan. In dit verband kan er niet aan worden voorbijgezien dat appellante ter zitting van 14 januari 2011 desgevraagd heeft verklaard dat er geen schriftelijke stukken voorhanden zijn waarin sprake is van de door appellante gestelde toegezegde salarisverhoging. Ook na die zitting zijn er door appellante geen nadere gegevens ingebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat destijds sprake was van de gestelde toezegging dan wel dat nadere vaststelling van het salaris van appellante heeft plaatsgevonden. De Raad concludeert dan ook dat niet kan worden gezegd dat het maatmaninkomen van appellante reeds onjuist is vastgesteld om reden van een te verwachten inkomensontwikkeling.

5.4.1. Wat betreft de bijdrage van [B.V.] in de pensioenpremie overweegt de Raad als volgt. Uit de stukken, zoals die door de rechtbank ten aanzien van die bijdrage zijn beoordeeld, uit de in hoger beroep door appellante bij haar brief van 27 mei 2011 gevoegde brief van [B.V.] van 19 mei 2011 en uit de emailwisseling met [B.V.] in mei 2011 blijkt in de eerste plaats dat de bij [pensioensfonds] ondergebrachte pensioenregeling van [B.V.] ten tijde van het dienstverband van appellante premievrij was, dat vanaf 2001 werknemerspremie werd ingehouden ten behoeve van een prépensioenregeling en dat vanaf 2006 werknemerspremie is ingehouden voor de opbouw van ouderdomspensioen (brief [B.V.] 19 mei 2011). Voorts is namens [B.V.] gesteld dat tot de invoering van de prépensioenregeling bij de werknemer, anders dan in de uitgeversbranche gebruikelijk was, geen pensioenpremie werd ingehouden (emailbericht 24 mei 2011). Verder stelt de Raad vast dat volgens de in overweging 5.3.1 vermelde arbeidsovereenkomst appellante eerst na één jaar dienstverband wordt opgenomen in het Pensioenfonds, hetgeen wordt bevestigd in een door appellante in hoger beroep overgelegde brief van AZL-Beheer van 24 januari 1994 aan het Pensioenfonds. In deze brief is voorts vermeld dat de opbouw van het pensioen van appellante aanving op 1 maart 1992. Ter zitting van de Raad van 14 januari 2011 is door appellante desgevraagd verklaard dat [B.V.], nadat een werknemer één jaar adspirant-deelnemer was geweest, achteraf premie betaalde over dat jaar. Uit een ander concludeerde de gemachtigde van het Uwv dat de premie door [B.V.] pas verschuldigd was na het betreffende wachtjaar zodat met die achteraf te betalen premie bij de vaststelling van het maatmaninkomen geen rekening hoefde te worden gehouden.

5.4.2. De Raad acht het, gelet op hetgeen verder ter zake ter sprake is gekomen op die zitting en op de relevante gedingstukken niet uitgesloten, hoewel daarover geen zekerheid bestaat, dat [B.V.] in het wachtjaar voor opname in het Pensioenfonds – onder welke benaming dan ook – reeds reserveerde voor de premiebetaling achteraf. Dit doet naar het oordeel van de Raad op zich niet af aan de juistheid van de door de rechtbank gegeven en ter zitting van 14 januari 2011 van de zijde van het Uwv bevestigde karakterisering van de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie van appellante als aangegeven aan het slot van overweging 5.4.1.

5.4.3. Overweging 5.4.2 neemt echter niet weg dat, zoals ter zitting van

18 november 2011 ter sprake is gekomen, het Uwv zich geen rekenschap heeft gegeven van de vraag of ten tijde van de ziekmelding van appellante in de uitgeversbranche een wachtperiode voor intrede in het Pensioenfonds gebruikelijk was en op welke wijze in die periode werd omgegaan met het, afgaande op de door [B.V.] verstrekte informatie als vermeld in overweging 5.4.1, werknemersdeel in een eventuele reservering. Bij de beantwoording van die vragen zou kunnen blijken dat ook in die wachtperiode sprake is van een voordeel van appellante uit haar dienstbetrekking met [B.V.]. Zij behoefde immers niet te reserveren voor de achteraf te voldoene pensioenpremie over de wachtperiode terwijl bij dienstverbanden met andere werkgevers in de uitgeversbranche mogelijk wel sprake was van ook reservering met het oog op dat werknemersdeel. De Raad concludeert dan ook dat de besluiten 1 en 2 in zoverre niet zorgvuldig zijn voorbereid.

5.4.4. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden uitgesloten dat de uitkomst van een nader onderzoek van het Uwv ter beantwoording van de in 5.4.3 besproken vragen mede van belang is voor de beoordeling van de juistheid van het door de rechtbank onderschreven standpunt van het Uwv inzake de betekenis van de urenomvang per week van de maatman voor de vaststelling van het maatmaninkomen.

5.4.5. De overwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.4 leiden de Raad tot de slotsom dat de besluiten 1 en 2, zoals deze thans luiden, niet in overeenstemming kunnen worden geacht met de daaraan op grond van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb te stellen eisen.

6.1. Wat betreft besluit 3 stelt de Raad voorop dat de rechtbank hierover een oordeel heeft gegeven in het licht van de vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft daarbij echter miskend dat het, gelet op de uitspraak van de Raad van 20 april 2004 (LJN AQ6057), bij de vaststelling van het dagloon gaat om een duuraanspraak. Bij een dergelijke aanspraak dient, aldus, deze uitspraak, door de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing te worden gehanteerd voor de periode na het verzoek om terug te komen van de eerdere vaststelling van in dit geval het dagloon. Uit dien hoofde zal, alsdus die uitspraak, het in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de betrokkene wordt tegengeworpen. Dit uitgangspunt uit vaste rechtspraak van de Raad bij de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, is derhalve ook van betekenis voor de in besluit 3 gegeven inhoudelijke beoordeling en het ter voorlichting van partijen ten overvloede gegeven oordeel daarover door de rechtbank.

6.2. Gegeven het in overweging 6.1 besproken toetsingskader overweegt de Raad in de eerste plaats dat de datering van het verzoek van appellante om herziening van het dagloon, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, moet worden gesteld op 17 juli 2006. De Raad wijst in dit verband op hetgeen appellante op bladzijde 2 van haar hoger beroepschrift heeft gesteld inzake het aanleveren op die dag door haar gemachtigde - in de bezwaarprocedure welke uiteindelijk heeft geleid tot besluit 2 - van een nadere berekening van onder andere het dagloon. Wat betreft de periode vóór 17 juli 2006 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat terzake geen sprake is van het stellen door appellante van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

6.3. Wat betreft de periode na 17 juli 2006 heeft het Uwv niet bezien welke betekenis, gelet op de van toepassing zijnde regelingen, zou kunnen toekomen aan de in overweging 6.2 vermelde nadere berekening voor de juistheid van het dagloon. Voorts is door het Uwv niet gemotiveerd ingegaan op het standpunt van appellante dat haar dagloon had moeten worden vastgesteld met toepassing van artikel 3 in plaats van artikel 7 van de destijds geldende Dagloonregelen WAO omdat appellante in het refertejaar bij meerdere werkgevers en tegen hogere verdiensten dan bij [B.V.] heeft gewerkt. Ten slotte ontbeert besluit 3 om dezelfde redenen als aangegeven in de overwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.5 een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering.

7. De Raad overweegt dat hij als bestuursrechter na vaststelling van de aan de besluiten 1, 2 en 3 klevende gebreken op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit betekent dat hij dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt geen van deze mogelijkheden binnen bereik, dan moet de Raad nagaan of een zogenoemde – formele dan wel informele – bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is. Nu het in het voorliggende geval niet mogelijk is om alsnog de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten 1, 2 en 3 in stand te laten en er te weinig gegevens zijn om zelf in de zaak te voorzien, ziet de Raad aanleiding om appellant met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen de gebreken in de voorbereiding en de motivering van de besluiten 1,2 en 3 te herstellen. Voor dat herstel dient het Uwv nader arbeidskundig onderzoek te laten verrichten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt appellant op om binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de besluiten 1, 2 en 3 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) K.E. Haan.

KR