Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
10-5853 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om op grond van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5853 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Indonesië (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 22 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 mei 2010, kenmerk BZ01154193 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2011. Daar is appellante niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1938, heeft in oktober 2007 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 28 maart 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2008 op de grond dat appellante geen vervolging heeft ondergaan en haar oorlogsomstandigheden niet zodanig uitzonderlijk zijn geweest dat zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de vader van appellante niet met excessief geweld is weggevoerd en na zijn gevangenschap terugkeerde in het gezin. Ook het zien van de mishandeling van de moeder is niet aangemerkt als confrontatie met extreem, excessief geweld. Tegen het besluit van 17 juli 2008 is geen beroep ingesteld.

1.2. In juni 2009 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenning van een uitkering, waarbij zij twee verklaringen heeft overgelegd die naar haar mening de oorlogsgebeurtenissen kunnen bevestigen. Bij besluit van 30 november 2009 is hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

1.3. In beroep heeft appellante in hoofdzaak aangevoerd dat zij met haar Nederlandse afkomst ook vervolging heeft ondergaan en tijdens de Japanse bezetting een moeilijk leven heeft gehad.

2. De Raad overweegt als volgt

2.1. De aanvraag van juni 2009 heeft verweerder terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van de onder 1.1 genoemde besluiten. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag een eerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dit besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, waarbij aan verweerder een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

2.2. Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd, die verweerder bij de besluitvorming in het verleden niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om de eerder genomen besluiten te herzien.

2.3. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerder, niet gebleken.

Bij het onderhavige herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, heeft appellant in wezen herhaald hetgeen zij reeds ter ondersteuning van het eerste verzoek had aangevoerd. Ook de overgelegde verklaringen bieden geen nieuwe kijk op de eerder gestelde en beoordeelde oorlogservaringen van appellante. Zo is een verklaring opgesteld door de zoon van appellant, maar die is na de oorlog geboren en kan om die reden niet uit eigen waarneming verklaren. De andere verklaring brengt geen wijziging in het beeld van de oorlogservaringen van appellante naar voren anders dan waar verweerder bij de eerdere besluiten rekening mee heeft gehouden.

3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toets kan doorstaan en dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) E. Heemsbergen.

RB