Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
02-01-2012
Zaaknummer
11-980 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een ZW-uitkering. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant met het medisch spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts, de alsnog gehouden hoorzitting en de mondelinge behandelingen ter zitting van de rechtbank voldoende gelegenheid heeft gekregen om de inhoudelijke kant van zijn zaak voor het voetlicht te brengen. Het standpunt van appellant dat de rechtbank het Uwv geen gelegenheid had mogen geven om alsnog een hoorzitting te houden en de zaak had moeten terugwijzen, vindt geen steun in de wet en is overigens door appellant niet nader onderbouwd. Ook het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte de in de bezwaarschriftprocedure ontvangen brieven van de neuroloog en psychiater niet aan appellant heeft voorgelegd, treft geen doel. Van inlichtingen van de behandelend sector mag worden aangenomen dat deze feiten en omstandigheden bevatten die appellant bekend zijn. Als zodanig behoeven dergelijke inlichtingen, die zijn verkregen in het kader van het nemen van de beslissing op bezwaar, niet te worden meegedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/980 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2010, 09/101 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2011. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als toezichthouder/docent. In september 2001 is hij voor dat werk uitgevallen wegens spanningsklachten en diverse lichamelijke klachten. Op grond daarvan is hem per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Vanuit de situatie dat hij een (gedeeltelijke) uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft appellant zich op 1 augustus 2008 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten.

1.2. Op 22 september 2008 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een evidente toename van klachten en beperkingen ten opzichte van de laatste WAO-beoordeling. Op die grond is appellant in staat om de hem ten tijde van die WAO-beoordeling voorgehouden functies te verrichten. Bij besluit van 22 september 2008 is appellant meegedeeld dat hij met ingang van diezelfde datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 22 september 2008 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan is hij op 12 december 2008 gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die naast dossieronderzoek en eigen onderzoek van appellant tevens inlichtingen van de behandelende neuroloog en psychiater bij haar onderzoek heeft betrokken. Op grond van haar bevindingen zag de bezwaarverzekeringsarts geen reden om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. Bij besluit van 19 december 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv in de door hem gevolgde bezwaarschriftprocedure de wettelijke bepaling inzake de hoorplicht, zoals geformuleerd in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft geschonden aangezien appellant slechts is uitgenodigd voor een medisch onderzoek en niet voor een hoorzitting. Omdat appellant op 9 april 2009 in de gelegenheid is gesteld om alsnog ten overstaan van het Uwv zijn visie te geven op de medische en juridische kant van de zaak, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen gronden heeft aangevoerd die maken dat het bestreden besluit zou moeten worden herzien.

3. In hoger beroep heeft appellant - samengevat - het standpunt ingenomen dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten en het Uwv ten onrechte niet is veroordeeld in de kosten van de bezwaarschriftprocedure.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de rechtbank geen gebruik had mogen maken van de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat appellant met het medisch spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts, de alsnog gehouden hoorzitting en de mondelinge behandelingen ter zitting van de rechtbank van 25 juni 2010 en 8 november 2010 voldoende gelegenheid heeft gekregen om de inhoudelijke kant van zijn zaak voor het voetlicht te brengen. Het standpunt van appellant dat de rechtbank het Uwv geen gelegenheid had mogen geven om alsnog een hoorzitting te houden en de zaak had moeten terugwijzen, vindt geen steun in de wet en is overigens door appellant niet nader onderbouwd.

4.2. Ook het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte de in de bezwaarschriftprocedure ontvangen brieven van 4 november 2008 en 5 december 2008 van de neuroloog en psychiater niet aan appellant heeft voorgelegd, treft geen doel. Naar het oordeel van de Raad is van strijd met artikel 7:9 van de Awb geen sprake, aangezien van inlichtingen van de behandelend sector mag worden aangenomen dat deze feiten en omstandigheden bevatten die appellant bekend zijn. Als zodanig behoeven dergelijke inlichtingen, die zijn verkregen in het kader van het nemen van de beslissing op bezwaar, niet te worden meegedeeld. Overigens heeft appellant ook niet gesteld dat de hier bedoelde door de neuroloog en psychiater gegeven informatie hem niet bekend was.

4.3. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen veroordeling van vergoeding van de kosten in bezwaar heeft gegeven, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat in casu geen sprake is van een herroeping van het besluit van 22 september 2008 vanwege een aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid.

5. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, als voorzitter, en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

IvR