Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
02-01-2012
Zaaknummer
10-4158 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkering. Voldoende is komen vast te staan dat appellante in staat was als inpakker te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4158 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juni 2010, 09/5464

(aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 28 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2011. Appellante en mr. Van Os zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft tot 5 december 2004 een uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij de intrekking van de

WAO-uitkering is aan haar onder andere de functie van inpakker met Sbc-code 111190 als een voor haar geschikte functie voorgehouden. Appellante heeft zich verschillende malen ziek gemeld met toegenomen klachten en uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Op 12 augustus 2008 heeft zij opnieuw melding gemaakt van arbeidsongeschiktheid in verband met onder andere klachten van de rechterschouder en toegenomen depressieve klachten. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 18 augustus 2009 is vastgesteld dat appellante niet langer ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden als inpakker. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 31 augustus 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Beslissend op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 augustus 2009 heeft het Uwv bij besluit van 30 oktober 2009 zijn standpunt gehandhaafd dat appellante vanaf 31 augustus 2009 niet langer recht heeft op een ZW-uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2009 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv, die op de hoogte waren van zowel de psychische als de fysieke klachten van appellante, bij haar niet te geringe medische beperkingen vastgesteld. Volgens de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 8 januari 2010 afdoende toegelicht dat met medeneming van de opvatting van de appellante behandelend psychiater T.M.J. Vreijs het standpunt kon worden ingenomen dat op 31 augustus 2009 geen sprake (meer) was van een verergering van de depressieklachten van appellante.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat een verslechtering van de psychische toestand van appellante duidelijk is bij een vergelijking van de bevindingen van psychiater J.J.D. Tilanus en psychiater Vreijs.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO. In het geval van appellante is de in 1.1 genoemde functie van inpakker aan te merken als ‘zijn arbeid’.

4.2. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat appellante op 31 augustus 2009 in staat was als inpakker te werken. Ten tijde van de heroverweging in bezwaar was informatie beschikbaar van de huisarts van appellante, een longarts, een KNO-arts, een cardioloog en van de psychiaters Vreijs en Tilanus. Op basis van deze informatie in combinatie met de bevindingen bij onderzoek door de verzekeringsarts en eigen onderzoek is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie kunnen komen dat van een progressief ziektebeeld geen sprake was en dat met alle afwijkingen al rekening was gehouden bij het selecteren van functies in het kader van de WAO-beoordeling.

4.3. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 8 januari 2010 terecht opgemerkt dat de brief van psychiater Vreijs van 9 juli 2009, waarin melding wordt gemaakt van een matige depressie, geen grondslag biedt voor het standpunt van appellante dat zij ongeschikt is voor de functie van inpakker. Bij de WAO-beoordeling in 2004 zijn niet alleen fysieke beperkingen aangenomen, maar is appellante ook beperkt geacht voor onder andere werk onder tijdsdruk. Voorafgaand aan een hersteldverklaring per 11 februari 2008 heeft de verzekeringsarts de beperkingen als gevolg van de psychische klachten van appellante nader uitgewerkt in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 januari 2008 met een aantal beperkingen in de rubrieken ‘persoonlijk functioneren’ en ‘sociaal functioneren’. Met een arbeidskundige rapportage van 4 februari 2008 is uiteengezet dat de belasting in de functie van inpakker de uit de FML blijkende belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De hersteldverklaring per 11 februari 2008 is na daartegen door appellante gemaakt bezwaar bij besluit van 14 april 2008 gehandhaafd. De verzekeringsartsen hebben tot de conclusie kunnen komen dat appellante ook in het licht van de bevindingen van psychiater Vreijs, zoals neergelegd in haar brief van 9 juli 2009, op 31 augustus 2009 niet meer beperkingen had dan al in de FML van 10 januari 2008 waren verwoord.

4.4. Anders dan appellante heeft betoogd valt geen toename van beperkingen ten opzichte van 2008 als gevolg van een verslechtering van de medische toestand van appellante af te leiden uit een vergelijking van de beschrijving daarvan in de brief van psychiater Vreijs van 9 juli 2009 met de informatie die psychiater Tilanus met zijn brief van 31 mei 2007 aan het Uwv heeft verstrekt. Het Uwv heeft immers bij het opstellen van de FML in 2008 niet afgezien van het opnemen van beperkingen in het psychisch functioneren op grond van de mededeling van Tilanus dat hij in mei 2007 geen aanwijzingen vond voor een depressie, toen hij als collega van Vreijs appellante in het kader van een waarneming zag. Een toename zou alleen kunnen worden aangenomen als uit de brief van Vreijs van 9 juli 2009 zou blijken van meer beperkingen. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 volgt dat daarvan geen sprake is.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011.

(get.) M. Greebe.

(get.) L. van Eijndthoven.

TM