Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
10-5927 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 37. Daarbij is vastgesteld dat appellant naast zijn werkzaamheden in loondienst gemiddeld 20 uur per week als zelfstandige werkzaam was. Gedurende dit aantal uren kan appellant per week werkzaamheden als zelfstandige verrichten, zonder dat dit van invloed is op zijn uitkering. Uit de stukken die appellant (...) heeft overgelegd blijkt niet inzichtelijk en voldoende verifieerbaar dat hij 30 uur per week als zelfstandige werkzaam was. Met betrekking tot de door appellant geclaimde zelfstandigenaftrek over de jaren 2003 tot en met 2007 overweegt de Raad dat hieraan slechts betekenis kan worden toegekend, indien appellant daarnaast inzichtelijk en voldoende verifieerbaar duidelijkheid zou hebben verschaft in de omvang van de door hem in zijn bedrijf verrichte werkzaamheden. Nu dit niet is geschied ziet de Raad enkel in de geclaimde zelfstandigenaftrek geen aanleiding om, in afwijking van de verklaring van appellant op het aanvraagformulier, uit te gaan van meer dan 20 gewerkte uren als zelfstandige per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5927 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 september 2010, 09/2648 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft appellant bij brief van 13 juli 2011 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Klinkert. Namens het Uwv is verschenen mr. G. Vermeijden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 9 november 2007 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 37. Daarbij is vastgesteld dat appellant naast zijn werkzaamheden in loondienst gemiddeld 20 uur per week als zelfstandige werkzaam was. Gedurende dit aantal uren kan appellant per week werkzaamheden als zelfstandige verrichten, zonder dat dit van invloed is op zijn uitkering. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om het aantal uren dat hij als zelfstandige werkzaam was vast te stellen op 30 uur per week.

1.3. Bij besluit van 24 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van 3 oktober 2008 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. Bij de toekenning van de WW-uitkering aan appellant heeft het Uwv het aantal uren dat appellant als zelfstandige werkzaam was vastgesteld op 20 uur per week. Daarbij is het Uwv uitgegaan van de verklaring van appellant op het door hem op 14 maart 2006 ondertekende aanvraagformulier. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in redelijkheid van deze verklaring uit mogen gaan nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat die verklaring geen goed beeld geeft van de werkelijkheid. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het door appellant (achteraf) opgestelde urenoverzicht niet als een objectief gegeven kan worden beschouwd. Uit de winst- en verliesrekeningen over de jaren 2003 tot en met 2007 kan niet worden opgemaakt hoeveel uren per week appellant in zijn bedrijf werkzaam was. Ook het feit dat appellant bij de Belastingdienst over de betreffende jaren zelfstandigenaftrek heeft geclaimd, toont naar het oordeel van de rechtbank niet aan dat appellant - in afwijking van zijn verklaring op het aanvraagformulier - meer dan 20 uur per week werkzaam was als zelfstandige.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv bij de toekenning van de WW-uitkering het aantal als zelfstandige gewerkte uren had moeten vaststellen op 30 uur per week. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij zich bij het invullen van het aanvraagformulier heeft vergist en in werkelijkheid al jarenlang 30 uur per week als zelfstandige werkzaam was, zoals ook gemeld tijdens het gesprek op 11 april 2006 met de re-integratiecoach. Bovendien heeft appellant stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt welke omvang zijn onderneming had tijdens de betreffende periode. Tevens heeft de Belastingdienst de claim van appellant voor de zelfstandigenaftrek over de jaren 2003 tot en met 2007 gehonoreerd, op grond waarvan het Uwv volgens appellant in ieder geval uit moet gaan van 23,55 gewerkte uren per week als zelfstandige. Dit geldt temeer nu het Uwv in andere gevallen WW-uitkeringen heeft herzien en teruggevorderd op basis van het feit dat de betrokkenen zelfstandigenaftrek hadden geclaimd bij de Belastingdienst.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ter beoordeling ligt voor of het Uwv bij besluit van 3 oktober 2008 het aantal uren dat appellant als zelfstandige werkzaam was terecht heeft vastgesteld op 20 uur per week.

4.3. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Op grond van het tweede lid van artikel 20 van de WW eindigt voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is het recht op uitkering ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd.

4.4. Bij de beoordeling of de als zelfstandige gewerkte uren in mindering moeten worden gebracht op de omvang van het recht op WW-uitkering voert het Uwv een buitenwettelijk beleid. Dat beleid houdt in dat in de situatie waarin de werknemer reeds voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden verrichtte naast zijn werkzaamheden als werknemer, het recht op uitkering pas wordt beëindigd als de werknemer deze niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden uitbreidt.

4.5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag het Uwv in beginsel afgaan op de opgave van de verzekerde op het aanvraagformulier. Indien de verzekerde meent dat die opgave geen goed beeld geeft van de werkelijkheid is het aan hem om dat aannemelijk te maken.

4.5.2. Appellant heeft op het door hem op 14 maart 2006 ondertekende aanvraagformulier vermeld dat hij al twintig jaar mede-eigenaar is van een VOF en dat hij twintig uur per week werkzaam is als zelfstandige. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze verklaring onjuist is.

4.5.3. Het Uwv heeft appellant meerdere malen verzocht om een onderbouwing te geven van zijn nadere standpunt dat hij 30 uur per week werkzaam was als zelfstandige. Bij brief van 6 november 2008 heeft het Uwv specifiek verzocht om kopieën van de jaarrekeningen over de jaren 2003 tot en met 2007 over te leggen en is appellant gewezen op de inlichtingenplicht in het kader van de WW. Daarbij is de betaling van de WW-uitkering opgeschort omdat het Uwv niet kon vaststellen voor hoeveel uren appellant recht had op een WW-uitkering. Appellant heeft deze stukken niet willen overleggen. Uit de stukken die appellant wel heeft overgelegd blijkt niet inzichtelijk en voldoende verifieerbaar dat hij 30 uur per week als zelfstandige werkzaam was. Met betrekking tot de door appellant geclaimde zelfstandigenaftrek over de jaren 2003 tot en met 2007 overweegt de Raad dat hieraan slechts betekenis kan worden toegekend, indien appellant daarnaast inzichtelijk en voldoende verifieerbaar duidelijkheid zou hebben verschaft in de omvang van de door hem in zijn bedrijf verrichte werkzaamheden. Nu dit niet is geschied ziet de Raad enkel in de geclaimde zelfstandigenaftrek geen aanleiding om, in afwijking van de verklaring van appellant op het aanvraagformulier, uit te gaan van meer dan 20 gewerkte uren als zelfstandige per week.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.5.3 volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het Uwv bij besluit van 3 oktober 2008 terecht heeft vastgesteld dat appellant 20 uur per week werkzaam was als zelfstandige. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding bestaat geen aanleiding. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) L. van Eijndthoven.

KR