Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
10-6454 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. De bevindingen van het onderzoek vormen een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante en betrokkene hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van appellante. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellante en betrokkene tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6454 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 oktober 2010, 09/2229 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van Andel, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Voor appellante is verschenen mr. Van Andel. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C. Hoogendoorn, werkzaam bij de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug (hierna: RSD).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 18 augustus 1989 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een telefonische melding dat appellante met [G.] (hierna: [G.]) een gezamenlijke huishouding voert, heeft de afdeling sociale recherche van RSD een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn appellante en [G.] verhoord en hebben diverse getuigen verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een ambtelijk verslag dat op 27 november 2007 is afgesloten. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft het dagelijks bestuur geconcludeerd dat appellante in de periode van 1 december 2005 tot en met 30 september 2007 een gezamenlijke huishouding met [G.] heeft gevoerd.

1.3. Bij besluit van 4 december 2007 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2005 tot en met 30 september 2007 ingetrokken op de grond dat zij, zonder daarvan melding te maken aan het dagelijks bestuur, met [G.] in die periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Bij besluit van 7 december 2007 (voor zover van belang) heeft het dagelijks bestuur de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.046,86 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het dagelijks bestuur het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 december 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 april 2009 heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 mei 2008 vernietigd. Het dagelijks bestuur heeft vervolgens bij besluit van 2 juli 2009 de besluiten van 4 december 2007 en 7 december 2007 in zoverre herroepen dat de bijstand wordt ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.2. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander.

4.3. Vast staat dat uit de relatie tussen appellante en [G.] op 3 oktober 2006 een kind is geboren. Gelet op de onder 4.1 en 4.2 aangehaalde bepalingen betekent dit dat voor de vaststelling of sprake is van een gezamenlijke huishouding in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2007. De vraag moet worden beantwoord of in deze periode sprake was van een hoofdverblijf van appellante en [G.] in dezelfde woning, en in de periode van 1 januari 2006 tot de geboorte van hun kind tevens of zij blijk geven voor elkaar zorg te dragen.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellante en [G.] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2007 hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van appellante. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellante en [G.] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Appellante heeft op 7 november 2007 verklaard dat [G.] met ingang van januari 2006 definitief bij haar is komen wonen. Op 8 november 2007 heeft zij verklaard dat ze bij haar eerdere verklaring blijft en dat [G.] zeker per 1 januari 2006 feitelijk bij haar woonachtig is. [G.] heeft verklaard dat hij feitelijk vanaf december 2005 niet meer op het adres [adres] te Driebergen-Rijsenburg verblijft en dat hij sedert december 2005 de post die hij moest bezorgen liet afleveren aan het adres van appellante. Vanaf dit adres verrichtte hij samen met de zoon van appellante zijn werkzaamheden en na de werkzaamheden kwam hij samen met deze zoon weer thuis op het adres van appellante. De Raad is van oordeel dat de verklaringen van appellante en [G.] een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [G.] vanaf 1 januari 2006 hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Voorts overweegt de Raad dat de verklaringen van de getuigen als ondersteunende verklaringen moeten worden gewaardeerd. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat aan de verklaring van getuige IV onvoldoende betekenis toekomt om geen gezamenlijk hoofdverblijf aan te nemen.

4.5. De Raad is van oordeel dat uit de verklaringen van zowel appellante als [G.] voorts voldoende naar voren komt dat in de periode van 1 januari 2006 tot 3 oktober 2006 sprake was van wederzijdse zorg. Appellante heeft verklaard dat zij samen met [G.] op vakantie gaat, dat zij zijn was doet, dat zij voor hem kookt, dat zij zijn giropas soms gebruikt, dat zij met hem zijn familie opzoekt, dat zij mee is gegaan naar zijn bedrijfsfeest en dat zij voor hem werkbriefjes bij het uitzendbureau inlevert. [G.] heeft verklaard dat hij bepaalde zaken voor de kinderen en het huishouden betaald, dat appellante zijn giropas kan gebruiken en dat zij samen met vakantie gaan. Deze feiten en omstandigheden zijn voldoende om aan te nemen dat appellante en [G.] in die periode voor elkaar zorgden.

4.6. Anders dan appellante stelt, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de verklaringen van appellante onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd.

De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de verklaringen aan haar zijn voorgelezen en per bladzijde door haar zijn geparafeerd en ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 november 2010, LJN BO4810) vloeit voort dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellante op 8 november 2007 voorafgaande aan het verhoor is onderzocht door een arts dat zij vervolgens heeft medegedeeld dat de arts niet heeft gemeld dat zij niet in staat zou zijn om te worden verhoord, dat zij zelf daarnaast heeft meegedeeld in staat te zijn om gehoord te worden en dat zij in de gelegenheid is gesteld het te melden als zij het verhoor om medische redenen wilde staken. Van deze gelegenheid heeft appellante geen gebruik gemaakt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij de door haar afgelegde verklaringen onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd.

4.7. Gelet op hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen, is de Raad van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2007 sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Appellante was daarom niet als zelfstandig subject van bijstand aan te merken zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm van een alleenstaande.

4.8. Nu appellante bij het dagelijks bestuur geen melding heeft gemaakt van de gezamenlijke huishouding die zij met [G.] voerde, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Anders dan appellante stelt ziet de Raad met de rechtbank geen grond om te oordelen dat het dagelijks bestuur bij zijn besluit tot intrekking ten onrechte de inkomenssituatie van [G.] niet heeft betrokken. Haar stelling dat zij en [G.] recht zouden hebben gehad op gezinsbijstand indien zij wel had voldaan aan haar inlichtingenverplichting, heeft appellante immers niet onderbouwd en behoeft reeds daarom geen bespreking.

Het dagelijks bestuur was derhalve bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2007 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode terug te vorderen. Tegen de wijze waarop door het dagelijks bestuur van de bevoegdheden gebruik is gemaakt zijn geen gronden aangevoerd.

4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD