Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
10-2218 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van15 tot 25%. Zorgvuldig medisch onderzoek. Door de bezwaarverzekeringsartsen is genoegzaam gemotiveerd dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking. Er is niet te weinig rekening gehouden met de conclusies van de internist en cardioloog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2218 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 maart 2010, 08/1552 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn enkele stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nader gereageerd op de ingezonden stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Voor appellante is verschenen mr. M.A. van der Made, advocaat te Gorinchem. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de feiten en omstandigheden volstaat de Raad hier met het volgende.

1.2. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij besluit van 4 november 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 januari 2006 beëindigd. Appellante heeft het Uwv verzocht terug te komen op het besluit van 4 november 2005, welk verzoek bij besluit van 23 februari 2007 is afgewezen. Appellante heeft tegen dit laatste besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3. Appellante heeft zich op 7 mei 2007 vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld in verband met toegenomen vermoeidheidsklachten. Het Uwv heeft vervolgens onderzocht of appellante opnieuw in aanmerking zou kunnen komen voor een WAO-uitkering. Bij besluit van 21 november 2007 heeft het Uwv geweigerd appellante na een verkorte wachttijd van vier weken met ingang van 4 juni 2007 een WAO-uitkering toe te kennen, aangezien geen sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 7 maart 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 november 2007 ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft tegen het besluit op bezwaar van 7 maart 2008 beroep ingesteld. Hangende dit beroep heeft het Uwv bij besluit van 1 oktober 2009 het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 juni 2007 vastgesteld op 15 tot 25%.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 7 maart 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft het beroep van appellante geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 1 oktober 2009 en dat beroep ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van proceskosten, griffierecht en wettelijke rente.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante op de hier van belang zijnde datum in geding, 4 juni 2007, niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De rechtbank wijst erop dat met name uit de rapportages van de verzekeringsartsen is gebleken dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde hart- en longklachten. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie ingewonnen bij de behandelend sector en deze informatie meegewogen bij haar beoordeling. Naar aanleiding van een cardiologische expertise is de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. Met de aldus aangepaste FML is naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht gedaan aan het beperkte inspanningsvermogen en de sterke hyperreactiviteit van de longen van eiseres. Voorts hebben de bezwaarverzekeringsartsen naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gemotiveerd dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking, nu bij appellante sprake is van deconditionering en gedragscomponenten. Op basis van de vastgestelde medische beperkingen heeft de bezwaararbeidsdeskundige de arbeidsmogelijkheden van appellante onderzocht en voor de bepaling van de restverdiencapaciteit een drietal functies geduid. De rechtbank is ervan overtuigd dat de vastgestelde belastbaarheid van appellante in de geduide functies niet worden overschreden.

3. Met verwijzing naar het aanvullend hoger beroepschrift en mede gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht stelt de Raad vast dat het hoger beroep van appellante zich richt op de beoordeling van de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante is van mening dat in de FML van 7 juli 2009 onvoldoende beperkingen zijn opgenomen, meer specifiek dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met een urenbeperking van minimaal 20 uur per week en een beperking voor wisselende diensten. Ter ondersteuning van het betoog zijn brieven van de behandelend internist en cardioloog van appellante ingezonden en is ter zitting algemene informatie over CVS/ME overhandigd. Ten slotte wordt de Raad verzocht een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medische onderzoek naar de beperkingen van appellante juist is verricht en verwijst naar de overwegingen dienaangaande in de aangevallen uitspraak. Voorts kan de Raad zich vinden in de overweging dat door de bezwaarverzekeringsartsen genoegzaam is gemotiveerd dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking. De Raad deelt niet de mening van appellante dat te weinig rekening is gehouden met de conclusies van de internist J.W.M. van der Meer en cardioloog F.C. Visser en overweegt daartoe als volgt.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff heeft in haar rapportage van 12 juli 2011 geconcludeerd dat zowel Van der Meer als Visser in hun brieven van respectievelijk 3 en 4 mei 2011 hebben vastgesteld dat de klachten en verschijnselen van appellante volledig passen bij de diagnose CVS/ME. Van Hooff stelt vast dat Van der Meer bovendien heeft aangegeven dat op basis van zijn bevindingen over de mate van arbeidsongeschiktheid geen uitspraak kan worden gedaan.

4.3. Voorts merkt Van Hooff op dat Visser heeft vastgesteld dat er bij appellante geen sprake is van hartfalen en wijst zij er in dit verband nog op dat de cardioloog M.L. Simoons op verzoek van het Uwv expertise heeft verricht en ook heeft bevestigd dat er geen hartproblemen zijn. Simoons heeft geadviseerd om te komen tot een langzaam opbouwend trainingsprogramma omdat appellante weinig actie onderneemt. Op basis van de verkregen informatie concludeert Van Hooff wederom dat de slechte conditie van appellante niet gerelateerd is aan een ziekte daar de diagnose CVS is gesteld.

4.4. Mede in verband met de opmerking van Visser in diens brief van 26 oktober 2011 dat er bij appellante wellicht naast deconditionering een extra factor aanwezig is die het inspanningsvermogen beperkt geeft Van Hooff aan dat ook het door het Uwv te gebruiken protocol “CVS”, na uitvoerig literatuuronderzoek, uitgaat van het gegeven dat er bij CVS geen duidelijke objectiveerbare afwijkingen worden gevonden c.q. geen spier- of genetische afwijkingen en geen anaerobe zuurstof opname die onder de grens van normalen ligt.

In dit verband merkt Van Hooff tevens op dat de longarts J.G.J.V. Aerts in zijn brief van 22 februari 2008 heeft aangegeven dat ook een slechte conditie een reden kan zijn voor een lage anaerobe drempel en dat Visser niets schrijft over een slechte conditie. In reactie op de nadere uitleg van Visser dat afwijkende bevindingen niet tot verwerping van de diagnose CVS hoeven te leiden, heeft Van Hooff in haar commentaar van 3 november 2011 nogmaals verwezen naar de visie van Van der Meer, die als de specialist op het gebied van CVS wordt beschouwd, en naar het vooromschreven protocol “CVS” waarin wordt aangegeven dat het laten verrichten van inspanning door een patiënt niet zinvol is bij CVS.

4.5. Naar aanleiding van het bij 4.2 tot en met 4.4 overwogene tekent de Raad aan dat in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling het vaststellen van medische beperkingen niet slechts geschiedt op basis van een diagnose. Partijen verschillen van mening over de mate waarin appellante op 4 juni 2007 arbeidsbeperkingen ondervond.

De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat ook met de voorhanden zijnde medische gegevens die in hoger beroep nog zijn ingezonden niet wordt onderbouwd dat met de vastgestelde beperkingen appellantes belastbaarheid zou zijn onderschat en tevens dat er geen, althans een ontoereikende, basis is te vinden voor de stelling dat wegens ernstige vermoeidheid een urenbeperking is aangewezen. Daarbij tekent de Raad aan dat de bevindingen zoals verwoord in de voorgenoemde stukken van Visser en Van der Meer betrekking hebben op onderzoeken die in 2011 hebben plaatsgevonden, enkele jaren na de datum in geding. De namens appellante ter zitting nog overgelegde algemene informatie met betrekking tot CVS is niet toegespitst op appellante en ook hieruit kan niet worden afgeleid dat er op de datum in geding, 4 juni 2007, sprake was van een zodanige toename van medisch objectiveerbare beperkingen voor arbeid dat het Uwv tot een andere beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid had moeten komen.

4.6. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

get.) G.J. van Gendt.

KR