Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
11-686 ANW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX4146
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De echtgenoot was ten tijde van zijn overlijden woonachtig in Marokko en ontving een uitkering ingevolge de AOW. Afwijzing aanvraag nabestaandenuitkering. Appellante kan niet als nabestaande in de zin van de ANW worden aangemerkt, omdat haar echtgenoot op de dag van overlijden niet verzekerd is voor deze wet. De vertraging bij het verzoek om toelating is niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/686 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2010, 10/573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011.

Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is geboren in 1961 en woont in Marokko. Haar echtgenoot, geboren in 1938, is op 31 oktober 2009 overleden. De echtgenoot was ten tijde van zijn overlijden woonachtig in Marokko en ontving een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. Appellante heeft een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Bij besluit van 7 december 2009 heeft de Svb de aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 8 januari 2010 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 december 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 8 januari 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is geoordeeld dat appellante niet als nabestaande in de zin van de ANW moet worden aangemerkt, omdat haar echtgenoot op de dag van overlijden niet verzekerd is voor deze wet. De rechtbank heeft overwogen dat de echtgenoot niet verzekerd is op grond van artikel 13, eerste lid, van de ANW, omdat hij niet als ingezetene kan worden beschouwd. Overwogen is dat ingevolge artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (welk artikel per 1 januari 2000 is vervallen) de echtgenoot niet als verzekerde kan worden beschouwd. De rechtbank is niet gebleken dat de echtgenoot gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren voor de ANW. Verder is niet gebleken dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden verzekerd was krachtens de Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 22 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering kan bestaan. Voorts is in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de omstandigheid dat appellante in een slechte financiële situatie verkeert, niet tot een ander oordeel kan leiden.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Appellante heeft aangevoerd dat zij vier minderjarige kinderen onderhoudt, volledig arbeidongeschikt is en geen inkomsten heeft. Voorts heeft appellante betoogd dat haar echtgenoot om toelating tot de vrijwillige verzekering wilde verzoeken, maar daar niet toe gekomen is omdat hij erg ziek was, de Nederlandse taal niet begreep en verstandelijk niet meer goed was. Er is overleg geweest met de Svb over het achteraf betalen van de premie voor vrijwillige verzekering. Appellante heeft aangevoerd dat haar echtgenoot geen gelegenheid meer heeft gehad de premie alsnog te betalen, omdat hij (kort) na het overleg is overleden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad begrijpt het betoog van appellante over de toelating tot de vrijwillige verzekering als een verzoek tot postume toelating. Tussen partijen is niet in geschil dat niet eerder een verzoek om toelating is gedaan.

4.2. Naar het oordeel van de Raad is de vertraging bij het betreffende verzoek om toelating niet verschoonbaar. Uit het betoog van appellante leidt de Raad af - en mede gelet op de uitkeringsspecificaties van de AOW-uitkering die hij vanaf 2003 ontving - dat de echtgenoot op de hoogte was van de mogelijkheid van een vrijwillige verzekering. Indien de gezondheidstoestand van de echtgenoot hem belette een verzoek om toelating in te dienen, had het op zijn weg gelegen daarbij hulp van een derde in te roepen. Aan het oordeel doet niet af dat de echtgenoot overleg heeft gehad met de Svb of dat hij (kort) nadien is overleden. Het overleg heeft er kennelijk niet toe geleid dat alsnog een verzoek om toelating en betaling van de verschuldigde premie heeft plaatsgevonden.

4.3. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent haar leefsituatie vormt geen bijzondere omstandigheid die de dwingendrechtelijke bepalingen van de ANW in dit geval opzij kan zetten.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Raad:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) G.J. van Gendt.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

KR