Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
11-684 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Zorgvuldig medisch onderzoek. Hetgeen appellant heeft aangevoerd noch de informatie van de behandelende sector geeft aanleiding om de vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. Geen aanleiding om aan te nemen dat de psychische beperkingen reeds op de datum in geding zijn toegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/684 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 december 2010, 09/2684 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, gevestigd te Leusen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Namens appellant is verschenen mr. C. Brouwer-Morren, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerker gedurende 40 uur per week en meldde zich ziek met ingang van 31 oktober 1990 in verband met psychische klachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is hij met ingang van 1 november 1991 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat de uitkering enkele malen werd herzien is appellant per 3 februari 1993 wederom voor een volledige WAO-uitkering in aanmerking gebracht. Op 4 november 2008 heeft verzekeringsarts A.J.D. Versteeg in het kader van een herbeoordeling een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aansluitend heeft arbeidsdeskundige M.N.J. Kollaard functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellant in staat is geacht. Op grond van een vergelijking tussen het voor appellant geldende maatmaninkomen en de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste loonwaarde is het loonverlies vastgesteld op 22,53%. Bij besluit van 17 februari 2009 is de WAO-uitkering per 12 april 2009 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

2. In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn fysieke en mentale toestand als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt, waarbij met name is gewezen op de klachten van PTTS, alsmede de slaap-, rug- en darmproblematiek. Na de hoorzitting heeft bezwaarverzekeringsarts R.A. Hollander informatie ingewonnen bij de behandelende sector, in welk kader een brief van huisarts J.C.A. Newsum van 30 augustus 2009, een brief van internist dr. W. Moolenaar van 26 september 2006, een brief van psychiater A.J. Fouwels van 7 oktober 1998, alsmede een brief van KNO-arts J.A. Veldhuizen van 10 augustus 1995 ontvangen werd. In het rapport van 6 september 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts de door Versteeg vastgestelde beperkingen onderschreven. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige R. Klijzing de beoordeling door de primaire arbeidsdeskundige bevestigd, waarna het bezwaar bij besluit van 24 september 2009 (verder: bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

3. In beroep tegen het bestreden besluit is, naast een herhaling van de gronden van bezwaar, aangevoerd dat appellant sedert 27 oktober 2009 door het Uwv als toegenomen arbeidsongeschikt is aangemerkt op grond waarvan de WAO-uitkering met ingang van 24 november 2009 is vastgesteld op 80 tot 100%. Aangezien de medische situatie per 27 oktober 2009 volgens appellant niet anders was dan die per 12 april 2009 is het Uwv naar de mening van appellant ten onrechte tot herziening van de WAO-uitkering per 12 april 2009 overgegaan.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is namens appellant gesteld dat de enige verandering die de verzekeringsarts ten aanzien van de medische situatie per 27 oktober 2009 heeft vastgesteld een wijziging betreft in het functioneren op de eerste twee niveau’s. De bevindingen uit een in 1995 verrichte expertise door psychiater A. Korzec zijn door de verzekeringsarts onverkort van toepassing geacht. Het Uwv heeft naar het oordeel van appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het functioneren van appellant gedurende een periode van zes maanden beter is geweest.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. De Raad stelt allereerst vast dat in hoger beroep uitsluitend de medische grondslag van het bestreden besluit is aangevochten, zodat de Raad zich in zijn oordeel hiertoe zal beperken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek van het Uwv op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Raad overweegt dat de verzekeringsarts naast dossieronderzoek een medisch onderzoek heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op de hoorzitting gezien en na afloop daarvan eveneens een medisch onderzoek verricht. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie van de behandelende sector opgevraagd en bij de beoordeling betrokken. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd noch in de informatie van de behandelende sector aanleiding om de vastgestelde beperkingen per 12 april 2009 voor onjuist te houden en overweegt dat in de FML van 4 november 2008 op diverse aspecten in de categorie persoonlijk- en sociaal functioneren beperkingen zijn aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts is - alle beschikbare informatie afwegend - tot de conclusie gekomen dat er bij appellant drie te objectiveren aandoeningen zijn aan te wijzen, te weten een gehoorvermindering, die niet invaliderend is, een buikaandoening, die niet als ernstig is ingeschat en de PTSS. Uit de anamnese heeft de bezwaarverzekeringsarts afgeleid dat de PTSS kenmerken vertoont van herstel, maar wel aanleiding is beperkingen aan te nemen onder meer ten aanzien van conflicthantering, werk waarbij een hoog handelingstempo, werk waarin grote deadlines voorkomen, alsmede veelvuldige onderbrekingen. In het rapport van 6 september 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat met deze aspecten op de FML voldoende rekening is gehouden. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om het Uwv hierin niet te volgen.

6.3. Ten aanzien van het gestelde inzake de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 27 oktober 2009, op grond waarvan de WAO-uitkering met ingang van 24 november 2009 werd verhoogd naar de klasse 80 tot 100%, overweegt de Raad dat uit het daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapport van 31 augustus 2010 blijkt dat de datum van toename van de beperkingen was bepaald op 27 oktober 2010, de dag nadat appellant met zijn werkgever een gesprek had gevoerd over zijn re-integratie. Dat gesprek heeft, naar appellant verklaarde, een grote impact op diens psychisch welbevinden gehad. De Raad volgt het Uwv in zijn oordeel, dat - mede als gevolg van genoemd gesprek - terecht is aangenomen dat de psychische beperkingen van appellant vanaf die datum waren toegenomen. De Raad ziet hierin dan ook geen aanleiding om de herziening van de WAO-uitkering per 12 april 2009 voor onjuist te houden.

6.4. De Raad komt dan ook op basis van de overwegingen 6.2 en 6.3 tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) K.E. Haan.

TM