Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
10-4264 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen reden om de medische beoordeling door het Uwv voor onjuist te houden. Geen aanleiding voor het oordeel dat de voorgehouden functies voor appellante niet geschikt zouden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4264 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 juni 2010, 09/6999 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerker en planner gedurende 24 uur per week en meldde zich ziek met ingang van 3 augustus 1998 in verband met psychische- en zwangerschapsgerelateerde klachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode van - toen - 52 weken is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering per 12 december 2004 werd herzien naar de klasse 15 tot 25%. Op 4 maart 2009 heeft verzekeringsarts M.F.L. Smol in het kader van een herbeoordeling een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aansluitend heeft arbeidsdeskundige C. Passchier functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellante in staat is geacht. Op grond van een vergelijking tussen het voor appellante geldende maatmaninkomen en de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste loonwaarde is het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 9,7%. Bij besluit van 23 maart 2009 is de WAO-uitkering per 24 mei 2009 ingetrokken.

2. In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat zij voor het afronden van een cursus kinderopvang afhankelijk is van de WAO-uitkering. Voorts is aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij haar bestaande beperkingen. In dat verband is namens appellante melding gemaakt van onder meer klachten van moeheid, concentratie- en geheugenstoornissen, toenemend bij stress, astmatische klachten en een beperking ten aanzien van het hand- en vingergebruik. Voorts is gesteld dat een urenbeperking aan de orde zou zijn. Bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft in zijn rapport van 31 juli 2009 de beoordeling door Smol onderschreven. Nadat ook bezwaararbeidsdeskundige A. Diepenhorst op 11 augustus 2009 het onderzoek door de primaire arbeidsdeskundige akkoord heeft bevonden, is het bezwaar bij besluit van 24 augustus 2009 (verder: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. In beroep tegen het bestreden besluit is, naast een herhaling van de gronden van bezwaar, aangevoerd dat uit de omstandigheid dat appellante de door haar gevolgde opleiding in kortere tijd wilde afronden niet de consequentie kan worden verbonden dat haar beperkingen zijn afgenomen.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak zijn de eerdere gronden van bezwaar en beroep in essentie herhaald.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek van het Uwv op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Raad overweegt dat de verzekeringsarts naast dossieronderzoek een medisch onderzoek heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op de hoorzitting gezien en na afloop daarvan een aanvullend medisch onderzoek verricht naar de hand- en polsfunctie . Ten aanzien van de beperking voor stressvolle arbeid overweegt de Raad dat in de FML op items 1.9.7 en 1.9.8 een beperking is aangenomen zodat hierbij bij de vaststelling van de beperkingen rekening is gehouden. Ten aanzien van de astmatische problematiek merkt de Raad op dat de verzekeringsarts appellante beperkt heeft geacht voor werken in een rokerige of dampige omgeving en het gebruik van maskers gecontra-indiceerd heeft geacht. In dat kader is op de aspecten 3.5 en 3.6 een beperking in de FML aangenomen. Wat betreft de gestelde psychische problematiek overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting van appellante begreep dat appellante zelf (wel haar dochter) niet onder behandeling is geweest voor psychische klachten en dat er geen aanwijzingen zijn volgens de (bezwaar)verzekeringsarts voor een psychische stoornis in engere zin. De Raad heeft geen reden aan de juistheid van dit oordeel te twijfelen, nu namens appellante geen medische gegevens in geding zijn gebracht die daartoe aanleiding geven. Wat betreft de gestelde urenbeperking overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts aan de hand van de Standaard Verminderde Arbeidsduur heeft toegelicht dat appellante niet voldoet aan één van de in die standaard genoemde voorwaarden om een urenbeperking aan te kunnen nemen. Nu appellante ook overigens geen medische gegevens in geding heeft gebracht die een ander licht op de vastgestelde belastbaarheid werpen ziet de Raad geen reden de medische beoordeling door het Uwv voor onjuist te houden.

6.3. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde FML, ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding voor het oordeel dat de voorgehouden functies voor haar niet geschikt zouden zijn.

6.4. De overwegingen 6.2 en 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(ged.) C.W.J. Schoor.

(get.) K.E. Haan.

EK