Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
10-6887 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanknopingspunten voor twijfel aan de in de FML vastgelegde beperkingen. De nadere toelichting van de bezwaarverzekeringsarts is voldoende en geeft geen aanknopingspunten voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de geduide functies niet passend zijn voor appellante. Het vervallen van de reservefunctie heeft geen invloed op de berekening van het verlies aan verdienvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6887 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 november 2010, 09/8999 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 november 2011 zijn van de zijde van appellante (medische) stukken ingezonden, waaronder informatie van internist/reumatoloog dr. Y.P.M. Ruiterman van 11 augustus 2010 en 18 maart 2011.

Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd met een bij brief van 8 november 2011 ingezonden rapportage van bezwaarverzekeringsarts M. Keus, van dezelfde datum.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dielbandhoesing en A. Kabaktepe als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als tomatenplukster voor 16 uur per week, is op 23 oktober 2007 uitgevallen met lichamelijke klachten.

1.2. In het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 28 juli 2009 onderzocht door de verzekeringsarts. Na lichamelijk en psychisch onderzoek concludeerde de verzekeringsarts in zijn rapport van dezelfde datum tot het aannemen van enige beperkingen ten aanzien van fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden en legde hij zijn bevindingen ten aanzien van rug- en elleboogsparend werk vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van eveneens 28 juli 2009. Vervolgens stelde het Uwv na arbeidskundig onderzoek bij besluit van 12 augustus 2009 vast dat voor appellante met ingang van 20 oktober 2009 geen recht was ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.3. Bij besluit van 17 november 2009 heeft het Uwv het tegen het besluit van 12 augustus 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante, ingesteld tegen het besluit van 17 november 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat sprake is van fibromyalgie en dat zij chronisch pijn heeft. Appellante heeft verzocht een deskundige te benoemen. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de geduide functies, onder meer vanwege de hoog frequente en repeterende bewegingen van hand, elleboog en arm, niet aansluiten bij haar beperkingen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat appellante de Nederlandse taal niet goed beheerst, dat het werktempo in de geduide functies te hoog is en dat het gevraagde niveau te hoog is.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellante op zorgvuldige en juiste wijze is verricht. Mede gelet op de in het dossier beschikbare medische informatie omtrent de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding, 20 oktober 2009, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor twijfel aan de in de FML vastgelegde beperkingen.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 8 november 2011 vermeld dat de in hoger beroep overgelegde (medische) gegevens, waaronder het schrijven van internist/reumatoloog Ruiterman van 11 augustus 2010, geen aanleiding geven om de belastbaarheid van appellante te herzien. In genoemde brief van de reumatoloog is bevestigd dat er geen CTS of HNP is vastgesteld en dat bij aanvullend onderzoek geen afwijkingen zijn vastgesteld die wijzen op een reumatologisch ziektebeeld. De bezwaarverzekeringsarts acht de bevinding van een beperkte actieve draaibeweeglijkheid en verhoogde spierspanning van nekmusculatuur geen hard objectief gegeven. Deze bevinding is te lang na de datum in geding gedaan en niet eerder beschreven. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts vermeld dat de genoemde diagnose fibromyalgie, anderhalf jaar na de datum in geding, geen ander licht werpt op de belastbaarheid van appellante.

De Raad acht deze toelichting voldoende en ziet geen aanknopingspunten voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

4.3. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante juist zijn gewaardeerd, ziet de Raad geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de geduide functies niet passend zijn voor appellante. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in de arbeidskundige rapportage van 11 augustus 2009 de signaleringen op het resultaat functiebeoordeling van de geduide functies zijn voorzien van een toereikende en inzichtelijke toelichting, ook wat betreft trilbelasting en repeterende bewegingen. Door de arbeidsdeskundige is er op gewezen dat appellante niet beperkt is ten aanzien van handelingstempo. Uit de ter zitting overgelegde zogenaamde Quick Scan van 13 oktober 2009 blijkt dat de bezwaararbeidsdeskundige zich kan verenigen met deze motivering.

Appellantes stelling dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de geduide functies te vervullen onderschrijft de Raad, gelet op artikel 9, aanhef en onder a, van het geldende Schattingsbesluit, niet. De Raad overweegt in dit verband dat appellante vanaf 1982 in Nederland is, en mede uit dien hoofde geacht moet worden te beschikken over de - bescheiden - vaardigheden die in de geduide functies worden gevraagd inzake beheersing van de Nederlandse taal. Voorts blijkt uit de arbeidsmogelijkhedenlijst niet dat er eisen worden gesteld ten aanzien van computergebruik. Het opleidingsniveau van appellante is goed beargumenteerd vastgesteld op niveau 2 en het is de Raad niet gebleken dat dat onjuist is.

Ten slotte stelt de Raad vast dat het vervallen van de reservefunctie verkoper winkel (sbc-code 317014), waarin sprake is van wisselende diensten, geen invloed heeft op de berekening van het verlies aan verdienvermogen.

4.4. Hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) K.E. Haan.

TM