Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
10-6733 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen grondslag voor het standpunt van appellant dat hij op de datum in geding blijvend en duurzaam arbeidsongeschikt was. Geen aanleidingom de geduide functies voor appellant ongeschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6733 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 november 2010, 10/4525 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 20 oktober 2011 een brief van de psychiater K. Gokoel van 17 oktober 2011 ingediend. Het Uwv heeft op deze brief gereageerd met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 25 oktober 2011.

Appellant heeft voorts op 27 oktober 2011 enkele afsprakenkaarten, een medicatieoverzicht en een verwijsbrief overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de tolk E. Battaloglu. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W. de Rooy-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als medewerker bouw toen hij zich als gevolg van psychische klachten en alcoholproblemen ziek meldde met ingang van 11 februari 2008.

2. De verzekeringsarts A.U. Doerga heeft appellant in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op haar spreekuur onderzocht. In een rapport van 20 november 2009 vermeldde zij, na psychisch en lichamelijk onderzoek en onder het stellen van de diagnose aspecifieke chronische rugpijn, oud myocardinfarct, psychische stoornis door alcohol en diabetes mellitus, dat appellant beperkt was voor fysiek zware arbeid en aangewezen was op stressarme werkzaamheden. Voorts achtte Doerga in verband met de combinatie van klachten op preventieve gronden tijdelijk een urenbeperking van 4 uur per dag aangewezen. Zij legde haar bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding een verlies aan verdienvermogen berekend van 72,23%. In overeenstemming hiermee stelde het Uwv bij besluit van 27 november 2009 vast dat appellant met ingang van 8 februari 2010 recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering.

3. In de bezwaarprocedure kreeg de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Van Duijn de beschikking over informatie van de huisarts van 19 maart 2010, waarbij was gevoegd een brief van Parnassia van 12 maart 2010, en een brief van de cardioloog van 6 mei 2010. Van Duijn beschreef in zijn rapport van 18 mei 2010 het resultaat van aanvullend lichamelijk en psychisch onderzoek. Voorts vermeldde hij de informatie van de cardioloog, waarin is aangegeven dat er geen tekenen van een (oud) infarct waren en dat sprake was alcoholische cardiomyopathie die bij een alcoholverbod volledig kan herstellen. Ten slotte vermeldde Van Duijn dat de rug een aspecifiek beeld van lichte functievermindering liet zien en dat er geen duidelijke psychische belemmeringen waren. De conclusie van Van Duijn was dat in de FML de belastbaarheid van appellant niet was overschat. Het arbeidskundig onderzoek in de bezwaarprocedure leidde, behoudens enkele aanvullingen op de toelichting door de arbeidsdeskundige op de signaleringen in de geduide functies, niet tot gewijzigde inzichten. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 20 mei 2010 het door appellant tegen het besluit van 27 november 2009 gemaakte bezwaar ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 20 mei 2010 (hierna: bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank zag – onder verwijzing naar het onderzoek van Doerga en Van Duijn – geen aanleiding de totstandkoming van de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig te achten dan wel die grondslag voor onjuist te houden.

4.3. Wat betreft de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies wees de rechtbank op het onderzoek van de arbeidskundige en de bezwaararbeidsdeskundige.

5. In hoger beroep zijn namens appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Het komt er op neer dat zijn belastbaarheid door het Uwv is overschat en dat hem een zogenoemde IVA-uitkering had moeten worden toegekend. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellant onder andere gewezen op de in rubriek I vermelde brief van de psychiater Gokoel. In deze brief is sprake van een aanpassingsstoornis met stoornis van emoties en gedrag. Gokoel achtte het zeer aannemelijk dat deze stoornis bij appellant, die in februari 2011 in behandeling was gekomen, de afgelopen jaren ook al aanwezig was.

6.1. De Raad heeft in het hoger beroep geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Wat betreft de rugklachten wijst de Raad op de bevindingen van Doerga en Van Duijn als weergegeven in de overwegingen 2 en 3. Wat betreft de hartklachten ziet de Raad geen aanleiding de door Van Duijn op basis van de informatie van de appellant behandelend cardioloog getrokken conclusies als weergegeven in overweging 3 voor onjuist te houden. Desgevraagd antwoordde de gemachtigde van appellant ter zitting dat er geen schriftelijk stuk van de cardioloog voorhanden is waarin, anders dan in diens brief van 6 mei 2010 is vermeld en in overeenstemming met hetgeen de cardioloog volgens die gemachtigde aan appellant zou hebben gemeld, is neergelegd dat toch sprake was van een door appellant doorgemaakt hartinfarct. Ten slotte heeft de Raad in de beschikbare medische informatie ten tijde van de datum bij het bestreden besluit in geding geen aanknopingspunten gevonden voor een al op die datum bij appellant bestaande stemmingsstoornis zoals aangegeven in de meergenoemde brief van Gokoel. De Raad wijst erop dat in de in beroep overgelegde brief van Brijder verslavingszorg van 18 januari 2010 wel sprake is van psychische klachten maar ook van een gepland psychiatrisch consult ter uitsluiting van een stemmingsstoornis. Voorts ziet de Raad in de in de bezwaarprocedure reeds door Van Duijn beoordeelde informatie van 12 maart 2010 inzake dat psychiatrisch consult – in welke informatie als diagnose op As I alleen is vermeld alcoholafhankelijkheid en geen diagnose op as II is aangetekend – geen aanknopingspunten voor het even bedoelde standpunt van Gokoel. Gelet op het voorgaande ziet de Raad in de voorhanden zijnde medische stukken geen grondslag voor het standpunt van appellant dat hij op de datum in geding blijvend en duurzaam arbeidsongeschikt was.

6.2. De Raad heeft ook geen aanleiding gezien om over de medische geschiktheid van de geduide functies, waartegen namens appellant geen gronden zijn ingebracht die een verdere strekking hebben dan dat appellant voor die functies ongeschikt is omdat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld, anders te oordelen dan de rechtbank.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) K.E. Haan.

TM