Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
11-1755 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 3.21, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) wordt geen studiefinanciering toegekend voor een periode die gelegen is voor indiening van de aanvraag. Appellant heeft - zoals blijkt uit het bericht studiefinanciering 2008, nr. 3 - per 1 oktober 2008 geen aanvullende beurs aangevraagd. Hij heeft pas weer op 24 april 2010 een aanvullende beurs gevraagd. Deze is dus terecht toegekend met ingang van 1 mei 2010. Dat appellant wel eerder een aanvullende beurs zou hebben aangevraagd als hij had geweten van de inkomensdaling van zijn vader leidt niet tot een andere conclusie. De Minister hoefde hierin geen reden te zien om de wet opzij te zetten en de hardheidsclausule toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1755 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 februari 2011, 10/1288 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister)

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader, [naam vader appellant], en de Minister was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de Informatie Beheer Groep.

1.2. Bij besluit van 3 april 2010 heeft de Minister de ouderbijdrage 2010 vastgesteld voor [N.], de broer van appellant.

1.3. Bij besluit van 24 april 2010 heeft de Minister op verzoek van appellants vader de ouderbijdrage 2010 voor [N.] en appellant herberekend.

1.4. Bij besluit van 28 mei 2010 heeft de Minister deze besluiten gehandhaafd. Daarbij is aangegeven dat appellant eerst per 1 mei 2010 recht heeft op een aanvullende beurs omdat hij deze in april 2010 heeft aangevraagd en een aanvullende beurs niet met terugwerkende kracht wordt toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de Minister het beroepschrift van appellant als bezwaarschrift tegen het besluit van 28 mei 2010 in behandeling neemt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant (in zijn aanvullend bezwaarschrift van 24 april 2010 tegen het besluit van 3 april 2010) met terugwerkende kracht een aanvullende beurs heeft aangevraagd, waarop bij het besluit van 28 mei 2010 is beslist. Het beroepschrift van appellant richt zich uitsluitend hiertegen. Het besluit van 28 mei 2010 is dan ook een primair besluit, waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt.

3. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft de Minister het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat studiefinanciering niet wordt toegekend met terugwerkende kracht en dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het beroepschrift heeft aangemerkt als bezwaarschrift. De rechtbank heeft voorts verzuimd het beroepschrift tijdig door te sturen. Daarnaast vindt hij dat hij recht heeft op aanvullende beurs per 1 januari 2010.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat het besluit van 28 mei 2010 voor wat betreft de ingangsdatum van de aanvullende beurs van appellant een primair besluit is, waartegen eerst bezwaar moest worden gemaakt. De rechtbank heeft het beroep dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.3. De stelling van appellant dat de rechtbank heeft verzuimd het beroepschrift tijdig door te sturen slaagt evenmin. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 23 februari 2011 en het beroepschrift op 16 maart 2011 naar de Minister gestuurd. Dat de Minister al op

14 maart 2011 een nieuw besluit had genomen maakt niet dat het beroepschrift te laat is doorgezonden.

5.4. Hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.3 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6.1. De Raad zal vervolgens het besluit van 14 maart 2011 beoordelen.

6.2. Ingevolge artikel 3.21, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) wordt geen studiefinanciering toegekend voor een periode die gelegen is voor indiening van de aanvraag. Appellant heeft - zoals blijkt uit het bericht studiefinanciering 2008, nr. 3 - per 1 oktober 2008 geen aanvullende beurs aangevraagd. Hij heeft pas weer op 24 april 2010 een aanvullende beurs gevraagd. Deze is dus terecht toegekend met ingang van 1 mei 2010. Dat appellant wel eerder een aanvullende beurs zou hebben aangevraagd als hij had geweten van de inkomensdaling van zijn vader leidt niet tot een andere conclusie. De Minister hoefde hierin geen reden te zien om de wet opzij te zetten en de hardheidsclausule toe te passen.

6.3. Het beroep tegen het besluit van 14 maart 2011 is dus ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 maart 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

M.D.F. Smit-de Moor.

NW