Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9245

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
09-5450 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering omdat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Geen sprake van een onzorgvuldig medisch onderzoek en geen onjuist vastgestelde belastbaarheid. Over de kwalificatie van de bij appellant bestaande psychische problematiek bestaat geen verschil van mening tussen de psycholoog en de bezwaarverzekeringsarts en in de FML is een aanzienlijk aantal beperkingen opgenomen op het persoonlijk en sociaal functioneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5450 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 september 2009, 09/785 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Poiesz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Poiesz. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. J.C. van Beek.

Ter zitting is het onderzoek geschorst, teneinde het Uwv in staat te stellen het ter zitting overgelegde rapport van psycholoog S.H. van ’t Klooster van 9 februari 2010 aan een bezwaarverzekeringsarts voor te leggen.

Bij brief van 11 mei 2010 heeft het Uwv, in reactie op het rapport van psycholoog

Van ’t Klooster, een rapportage van bezwaarverzekeringsarts P. Momberg van

7 mei 2010 overgelegd.

Bij brief van 17 juni 2010 is namens appellant gereageerd op deze rapportage van bezwaarverzekeringsarts Momberg. Hierop is bezwaarverzekeringsarts Momberg ingegaan in haar rapportage van 28 juni 2010.

Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 september 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 13 oktober 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

1.2. Bij besluit van 5 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen het besluit van 4 september 2008, ongegrond verklaard.

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding heeft gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat appellant per 13 oktober 2008 in staat was de hem voorgehouden functies te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering, nu hij op de datum hier in geding als gevolg van psychische problemen meer arbeidsongeschikt was dan door het Uwv is aangenomen. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid en genomen. In dit verband is voorts opgemerkt dat niet volstaan kon worden met het thans verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek maar dat appellants specifieke situatie ook aan een transculturele psychiatrische beoordeling zou moeten worden onderworpen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat van een onzorgvuldig medisch onderzoek en een onjuist vastgestelde belastbaarheid niet is gebleken. De Raad onderschrijft dat oordeel en de hieraan ten grondslag gelegde overwegingen in de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

4.2.2. Uit het in hoger beroep overgelegde rapport van psycholoog Van ’t Klooster volgt dat zij appellant, gelet op zijn psychische klachten, niet belastbaar acht met arbeid of een traject gericht op re-integratie. In haar reactie op dat rapport heeft bezwaarverzekeringsarts Momberg gemotiveerd te kennen gegeven waarom de informatie van voornoemde psycholoog geen aanleiding geeft de toepasselijke Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te scherpen. De Raad heeft in hetgeen appellant daaromtrent heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van Momberg. Deze wijst er op dat de gegevens in het rapport van Van ’t Klooster dateren van ruim na de datum in geding.

4.2.3. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet zich nader te laten voorlichten door een deskundige. Daarbij heeft de Raad voorts in aanmerking genomen dat over de kwalificatie van de bij appellant bestaande psychische problematiek geen verschil van mening bestaat tussen de psycholoog en de bezwaarverzekeringsarts en dat in de FML een aanzienlijk aantal beperkingen is opgenomen op het persoonlijk en sociaal functioneren. In hetgeen appellant heeft aangevoerd en ter ondersteuning waarvan hij diverse (medische) stukken heeft ingebracht heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden dat zijn belastbaarheid is overschat van de zijde van het Uwv.

4.3. Met de rechtbank is de Raad, uitgaande van de juistheid van de FML, van oordeel dat appellant in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR