Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
09-3068 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit arbeid. Schending inlichtingenverplichting. Boete. Teveel betaalde toeslag aan partner. Invorderingsbesluit. Hoogte van de boete: De Raad acht een aan appellant op te leggen boete van € 100,-- evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van zijn verwijtbaarheid en de overige omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3068 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 1 mei 2009, 08/854 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R. van Asperen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2010. Namens appellant is verschenen mr. Van Asperen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontvangt sedert 11 augustus 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Naar aanleiding van een telefoontje van appellant heeft het Uwv het recht op een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) opnieuw berekend. Daaruit volgde dat appellant gelet op de hoogte van zijn inkomsten en van zijn partner [naam partner], die op dat moment een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ontving en een toeslag, geen recht had op een toeslag omdat de totale inkomsten meer bedroegen dan het voor hem geldende minimumloon. Door een systeemfout bij het Uwv is op 31 maart 2008 opdracht gegeven tot betaling van een toeslag aan appellant over de periode van 11 augustus 2007 tot 31 maart 2008.

1.3. Bij besluit van 7 april 2008 is hetgeen onverschuldigd aan toeslag was betaald over de periode van 11 augustus 2007 tot 31 maart 2008, zijnde bruto € 1.929,88, van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft geen dringende reden aangenomen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

1.4. Bij besluit van 28 april 2008 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 380,-- omdat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant niet aan het Uwv heeft opgegeven dat hij van 26 maart 2007 tot en met 29 februari 2008, met een onderbreking in april 2007, inkomsten uit arbeid had, waardoor aan [naam partner] ten onrechte een bedrag van bruto € 3.802,98 aan toeslag is betaald. Het Uwv heeft geen dringende redenen aangenomen om van het opleggen van de boete af te zien.

1.5. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het Uwv een invorderingsbesluit genomen, ziende op de invordering van de boete en de onverschuldigd betaalde toeslag.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 8 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv beslist op de door appellant gemaakte bezwaren tegen de onder 1.3 tot en met 1.5 genoemde besluiten. Het Uwv heeft het besluit van 7 april 2008 in die zin heroverwogen dat volstaan wordt met een netto terugvordering, omdat de terugvordering is ontstaan door toedoen of nalaten van het Uwv. Het terug te vorderen bedrag is vastgesteld op netto € 1.744,26. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2008 is ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aangaande de invordering overwogen dat het besluit van 1 juli 2008 in die zin wordt herzien dat er op grond van appellant’s financiële situatie geen ruimte is voor de invordering van de ontstane terugvordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroep van appellant zich niet richt tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is bepaald dat er op dat moment geen ruimte is voor invordering. De rechtbank heeft als haar oordeel uitgesproken dat het beroep van appellant voor zover dat gericht is tegen de terugvordering van de toeslag en het opleggen van een boete niet slaagt.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn in beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald. Het Uwv had gezien de omstandigheid dat de betaling van de in geding zijnde toeslag niet op een besluit berust en appellant het Uwv zelf heeft geïnformeerd dat er te veel toeslag betaald werd, aanleiding moeten zien om de terugvordering op een lager bedrag vast te stellen. Naar de mening van appellant had het Uwv in de omstandigheden van het geval voorts aanleiding moeten zien af te zien van het opleggen van een boete dan wel de boete te verlagen. Appellant heeft gewezen op zijn slechte financiële situatie.

3.2. Ter zitting heeft het Uwv met betrekking tot de boete uiteengezet dat er overeenkomstig artikel 6 van de Beleidsregel boete werknemer (hierna: Beleidsregel) aanleiding is een verminderde verwijtbaarheid aan te nemen omdat appellant in januari 2008, voordat het Uwv de overtreding geconstateerd had, uit eigen beweging aan het Uwv informatie heeft verstrekt over zijn inkomsten uit arbeid. Het Uwv heeft dit niet onderkend.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW wordt door het Uwv de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoel in artikel 11a of 14 van de TW onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, teruggevorderd. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uwv met toepassing van het vierde lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering.

4.1.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv over de periode van 11 augustus 2007 tot 31 maart 2008 onverschuldigd toeslag heeft betaald aan appellant. De omstandigheid dat deze betaling niet is gebaseerd op een besluit, doet niet af aan de verplichting tot terugvordering.

4.1.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen die de rechtbank ter onderbouwing van haar oordeel heeft gegeven.

4.2.1. Ingevolge artikel 12 van de TW is degene die aanspraak maakt op toeslag, alsmede zijn echtgenoot, verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt uitbetaald.

4.2.2. In artikel 14a van de TW is bepaald dat het Uwv een belanghebbende een boete oplegt van ten hoogste € 2.269,-- indien hij de verplichting, bedoeld in artikel 12 van de TW, niet of niet behoorlijk is nagekomen. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin degene die aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten van het opleggen van een boete af te zien.

4.2.3. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna: Boetebesluit) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot artikel 14a, eerste en tweede lid, van de TW. In de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van het Boetebesluit is bepaald dat de boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 52,-- wordt vastgesteld. Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de boete die is berekend met toepassing van artikel 2, verhoogd of verlaagd.

4.2.4. Bij de verhoging of verlaging van de boete, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Boetebesluit, hanteerde het Uwv ten tijde hier van belang de Beleidsregel boete werknemer (hierna: Beleidsregel). Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel bepaalt dat het basis boetebedrag (hier: de boete, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de TW) met 50% wordt verhoogd, indien sprake is van verhoogde verwijtbaarheid. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid, wordt op grond van artikel 6 van de Beleidsregel het basis boetebedrag verlaagd met 50%. Daarvan is in ieder geval sprake indien de overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de belanghebbende, hem niet volledig valt aan te rekenen of de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft overtreden, maar alsnog uit eigen beweging de juiste informatie verstrekt voordat het Uwv de overtreding constateert. Hoewel de toelichting op de Beleidsregel onderkent dat gradaties in verwijtbaarheid zijn te onderscheiden, is uit een oogpunt van uitvoerbaarheid en ter voorkoming van rechtsongelijkheid voor die gevallen waarin een verhoogde dan wel een verminderde verwijtbaarheid aan de orde is, gekozen voor één standaardverhoging met 50% respectievelijk één standaardverlaging met 50%. Artikel 7 van de Beleidsregel bepaalt dat de boete verlaagd wordt indien de belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat, gelet op de financiële omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen twaalf maanden na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het eventuele vermogen en de aflossingscapaciteit van de belanghebbende. Artikel 9 van de Beleidsregel bepaalt ten slotte dat de boete minimaal de helft bedraagt van het basisbedrag dat genoemd is in het Boetebesluit.

4.2.5. Indien is voldaan aan de in artikel 14a van de TW gestelde voorwaarden voor het opleggen van een boete, moet het Uwv - zoals thans ook is vastgelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - bij de aanwending van deze bevoegdheid het bepalen van de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het Uwv kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient het Uwv bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient het Uwv de boete in aanvulling of in afwijking van het beleid vast te stellen op een bedrag dat passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het Uwv met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen, en dus leidt tot een evenredige sanctie.

4.3.1. Met betrekking tot de vraag of het Uwv zich in dit geval terecht bevoegd heeft geacht tot het opleggen van een boete overweegt de Raad als volgt.

4.3.2. Appellant heeft niet betwist dat hij het Uwv niet tijdig gemeld heeft dat hij een uitkering inkomsten uit arbeid, hetzij in de vorm van inkomen, hetzij in de vorm van een uitkering ingevolge de ZW, ontving. Het niet opgeven van deze uitkering is door het Uwv terecht aangemerkt als een schending van de inlichtingenverplichting, aangezien dat gegeven van wezenlijk belang was voor een rechtens juiste vaststelling van de aan [naam[naam partner] betaalde toeslag.

4.3.3. De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de TW om van het opleggen van een boete af te zien. Dit betekent dat het Uwv op grond van artikel 14a, eerste lid, van de TW gehouden was appellant een boete op te leggen.

4.3.4. Gezien het ter zitting uiteengezette standpunt van het Uwv dat het opleggen van de boete van € 380,-- onjuist is nu het Uwv bij het bepalen van de hoogte van de boete ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan kan de aangevallen uitspraak in zoverre geen standhouden. De uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep tegen het besluit van 8 september 2008 in zoverre gegrond worden verklaard. De Raad zal in zoverre zelf in de zaak voorzien waartoe het volgende wordt overwogen.

4.3.5. Voor de nadere vaststelling van de hoogte van de boete neemt de Raad de volgende omstandigheden in aanmerking. Hoewel appellant onmiskenbaar te laat aan het Uwv heeft gemeld dat hij inkomsten uit arbeid had, heeft appellant uit eigen beweging in januari 2008, alvorens het Uwv de overtreding geconstateerd had, hiervan alsnog melding gemaakt. De Raad acht niet aangetoond dat de overtreding appellant niet volledig zou zijn aan te rekenen vanwege zijn geestelijke toestand. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad voorts niet voldoende aannemelijk maakt dat hij in zodanig slechte financiële omstandigheden verkeert dat dit zou moeten leiden tot verlaging van de boete. Appellant heeft niet middels stukken aangetoond dat hij in de schuldsanering zit, nog daargelaten welk gevolg dit zou hebben indien appellant dit wel aannemelijk zou hebben gemaakt.

4.3.6. Gelet op alle hiervoor weergegeven omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de Raad een aan appellant op te leggen boete van € 100,-- evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van zijn verwijtbaarheid en de overige omstandigheden.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, in totaal € 1.288,--

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op de opgelegde boete;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 8 september 2008 voor zover daarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2008 ongegrond is verklaard;

Legt aan appellant een boete van € 100,- op en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 8 september 2008;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. Bolt en T. Hoogenboom als leden in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM