Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
11-3259 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van eigen vervoer, omdat er volgens het College voor appellant geen noodzaak is om zijn auto te gebruiken, omdat hij met het openbaar vervoer kan reizen. Urge-incontinentie en huidklachten. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3259 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 april 2011, 10/7 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat in Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. Penners. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozun, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 18 december 2006 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van eigen vervoer. Appellant lijdt aan een urge-incontinentie na behandeling van een prostaatcarcinoom.

1.2. In een besluit van 3 april 2007 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen, omdat er volgens het College voor appellant geen noodzaak is om zijn auto te gebruiken, omdat hij met het openbaar vervoer kan reizen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het College heeft in zijn besluit van 11 december 2007 dat bezwaar ongegrond verklaard en zijn eerdere besluit gehandhaafd. Daartoe heeft het College overwogen dat bij incontinentieproblematiek van een betrokkene verwacht mag worden dat hij beschikt over adequaat incontinentiemateriaal. Appellant heeft volgens het College niet aannemelijk gemaakt dat eventueel urineverlies met gebruik van incontinentiemateriaal niet redelijk onder controle is te houden.

1.3. Het College heeft zijn besluiten gebaseerd op adviezen van de GGD Zuid Limburg (hierna: GGD).

1.4. De rechtbank Maastricht heeft in een uitspraak van 10 maart 2009 het beroep van appellant tegen het besluit van 11 december 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in bezwaar een verklaring van de behandelend uroloog heeft overgelegd, waarin de uroloog schrijft dat het voor appellant niet mogelijk is om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Het had op de weg van het College gelegen om bij de uroloog te informeren waarop dat standpunt was gebaseerd en niet zonder deze nadere informatie het besluit van 11 december 2007 te nemen.

1.5. De GGD heeft namens het College informatie bij de behandelend uroloog gevraagd en daarna het College geadviseerd. Het College heeft daarna het besluit van 27 november 2009 genomen, waarin het bezwaar opnieuw ongegrond is verklaard, omdat appellant gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Daartoe heeft het College overwogen dat de uroloog weliswaar onverdraagzaamheid van incontinentiemateriaal noemt maar dat uitsluitend baseert op de anamnese. Met betrekking tot het dranggevoel heeft het College overwogen dat appellant de blaasinhoud en daarmee de klachten kan verminderen door aanpassing van zijn drinkgedrag. Bovendien kan appellant zijn toiletbezoek reguleren.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 27 november 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant incontinentiemateriaal kan gebruiken om zijn probleem met het dranggevoel op te lossen, waardoor hij in staat is gebruik te maken van het openbaar vervoer. De uroloog heeft niet geobjectiveerd waarom appellant incontentiemateriaal niet kan verdragen, maar is enkel afgegaan op de anamnese. Er is ook niet een allergietest door een dermatoloog verricht. Ten slotte is niet gebleken dat appellant zijn drinkgedrag niet zou kunnen aanpassen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij met het gebruik van incontinentiemateriaal het dranggevoel niet wegneemt en dat hij nu verplicht wordt dat materiaal te gebruiken terwijl hij het niet nodig heeft. Op de zitting heeft appellant uitgelegd dat hij niet de drang tot plassen kan reguleren met zijn drinkgedrag; deze drang ontstaat ook als hij een lege blaas heeft. Appellant heeft een verklaring van 6 juni 2011 van de behandelend dermatoloog overgelegd, waarin staat dat appellant door lokale irritatie van de liezen geen luiers kan verdragen en dat er een beeld is van psoriasisinversie met koebnerfenomeen.

4. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Het wettelijk kader voor deze beoordeling is de Wvg en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Sittard-Geleen 2005 (hierna: Verordening). In de artikelen 3.1 en 3.2 van de Verordening is onder meer bepaald dat een gehandicapte in aanmerking kan worden gebracht voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto als aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer onmogelijk maken.

5.2. Tussen partijen is in geschil of het voor appellant mogelijk is om incontinentiemateriaal te gebruiken. Als dat zo is, dan kan hij gebruik maken van het openbaar en het collectief vervoer en komt hij niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van zijn eigen auto. Als dat niet zo is, moet de andere vraag worden beantwoord die partijen verdeeld houdt, namelijk of appellant zijn drinkgedrag en toiletbezoek zo kan reguleren dat hij op die manier gebruik kan maken van openbaar en collectief vervoer.

5.3. De GGD heeft naar aanleiding van de verklaring van de dermatoloog nadere informatie bij hem gevraagd. De vragen van de GGD gingen over de klachten van appellant en de ingestelde onderzoeken. In het bijzonder heeft de GGD gevraagd of er alleen naar het dragen van luiers is gekeken of ook naar ander incontinentiemateriaal, zoals hypoallergeen incontinentiemateriaal. De dermatoloog heeft op 18 augustus 2011 geantwoord dat appellant last heeft van de luiers die schuren in de liezen en dat hij nu zelfs bij het niet dragen van een luier erytheem met kloven heeft. De dermatoloog heeft herhaald dat sprake is van psoriasis met koebnerfenomeen.

5.4. Het College heeft in navolging van een advies van de GGD naar aanleiding van de brief van de dermatoloog geconcludeerd dat er geen reden is om zijn oorspronkelijke standpunt te veranderen. Daartoe heeft het College overwogen dat er sprake is van irritatie van de huid, dat dit een tijdelijk fenomeen is dat met zalf kan worden behandeld, dat niet blijkt van een allergie en dat de dermatoloog niets heeft gezegd over ander incontinentiemateriaal, zoals hypoallergeen incontinentiemateriaal.

5.5. De Raad is van oordeel dat de dermatoloog weliswaar beknopt maar voldoende heeft toegelicht dat appellant gelet op de conditie van zijn huid klachten heeft bij het dragen van luiers. Anders dan het College leest de Raad in de brief van 18 augustus 2011 van de dermatoloog dat het optreden van huidklachten geldt voor alle luiers. Daaronder moet ook hypoallergeen materiaal worden begrepen. Daarbij betrekt de Raad mede wat appellant op de zitting heeft toegelicht, namelijk dat de dermatoloog hem heeft verteld dat ieder type luier gaat broeien. Dat leidt tot de conclusie dat appellant niet in staat geacht moet worden om incontinentiemateriaal te gebruiken.

5.6. Daarom moet vervolgens de vraag worden beantwoord of appellant zijn drinkgedrag en toiletbezoek zo kan reguleren dat hij op die manier gebruik kan maken van het openbaar en collectief vervoer. Appellant heeft op de zitting uitgelegd dat zijn toiletbezoek niet is te reguleren. Urge-incontinentie houdt in dat hij ook aandrang krijgt om te plassen als hij een vrijwel lege blaas heeft. De Raad acht deze uitleg aannemelijk. Dat houdt in dat ook deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

5.7. Wat hiervoor is overwogen houdt in dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 27 november 2009 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad zal verder bepalen dat het College een nieuw besluit neemt, waarbij geldt dat aan appellant met ingang van de ontvangst van de aanvraag een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van zijn eigen auto wordt gegeven. Bij zijn nieuwe besluit moet het College ook de door appellant gevorderde wettelijke rente betrekken.

5.8. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling tot een bedrag van € 1.748,-- wegens verleende rechtsbijstand bij beroep en hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 november 2009;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.748,--;

Bepaalt dat het College het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) B. Bekkers.

HD