Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
09/6569 WWB + 09/6570 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Bezit van vermogensbestanddelen in de vorm van contanten, sieraden, drugs en een auto. Inkomsten uit handel in verdovende middelen. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6569 WWB

09/6570 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 oktober 2009, 08/1161 en 08/1162 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Loth, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 september 2011 heeft mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen, de Raad bericht dat hij de zaak van mr. Loth overneemt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groot. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 20 oktober 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een verkeerscontrole te Assen op 13 maart 2008, waarbij in de auto van appellant cocaïne is aangetroffen, is door de Regiopolitie Groningen een onderzoek gestart, dat onder meer heeft bestaan uit een doorzoeking van de woning van de vriendin van appellant, [C.T.] (hierna: [C.T.]), te [woonplaats]. Hierbij is onder meer een hoeveelheid op cocaïne gelijkend poeder aangetroffen. In aansluiting hierop en met gebruikmaking van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek, is door de Sociale Recherche Groningen onderzoek gedaan, dat onder meer heeft bestaan uit het verhoren van zowel appellant als [C.T.].

1.3. In de bevindingen van het onderzoek door de Sociale Recherche, neergelegd in het rapport van 29 april 2008, heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 16 mei 2008 de bijstand van appellant vanaf 20 oktober 2006 in te trekken op de grond dat appellant, door geen melding te maken van het bezit van vermogensbestanddelen in de vorm van contanten, sieraden, drugs en een auto en voorts met ingang van 1 mei 2007 geen en/of onvolledige en/of onjuiste informatie te geven over inkomsten uit handel in verdovende middelen, de inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarnaast heeft het College de over periode van 20 oktober 2006 tot en met 9 december 2007 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 12.731,82 bruto.

1.4. Bij besluit van 7 november 2008 heeft het College het door appellant tegen het besluit van 16 mei 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de auto’s en sieraden zonder meer tot zijn vermogen behoorden. Daarnaast heeft de rechtbank volgens appellant te veel gewicht toegekend aan het standpunt van het College en geen, althans te weinig, oog gehad voor de strafrechtelijke gevolgen in de strafzaak van appellant. In dit kader heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat appellant heeft gehandeld in cocaïne.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad zal eerst een oordeel geven over de intrekking van de bijstand over de periode vanaf 20 oktober 2006. Evenals de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat deze op een voldoende grondslag berust. De Raad wijst in dit kader op de verklaring die appellant op 18 maart 2008 tegenover de verbalisanten van de Regiopolitie Groningen heeft afgelegd dat hij sieraden heeft verkocht voor € 15.000,-- en dat hij van de verkoop van de Mazda voor € 5.000,-- en het geld van de sieraden een Volkswagen Golf 4 heeft gekocht. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de vestigingsmanager van Auto Century BV, neergelegd in een proces-verbaal van 19 maart 2008, die zich kan herinneren dat appellant en [C.T.], nadat [C.T.] eerder al in februari 2007 interesse had getoond in de aankoop van een auto, in juli 2007 in de zaak waren en toen een Volkswagen 4 hebben gekocht, waarbij het aankoopbedrag van € 8.250,-- later door appellant contant is afgerekend. [C.T.] heeft verklaard op haar beurt op 13 maart 2008 respectievelijk 18 april 2008 dat de sieraden zijn verkocht aan iemand die appellant kende en dat van de opbrengst een auto is gekocht. Appellant heeft verklaard op 28 april 2008 voorts nog dat van het geld van de sieraden ook eten is gekocht. Deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, leiden de Raad tot het oordeel dat appellant over een substantieel bedrag aan contant geld heeft kunnen beschikken, waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het College. Hij heeft daarmee de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Nu niet is vast te stellen welk deel van de aankopen appellant heeft (mee)betaald, is de Raad met het College van oordeel dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, waardoor het College bevoegd was om tot intrekking van de bijstand over te gaan.

4.2. Voor wat betreft de periode vanaf mei 2007, heeft appellant verklaard op 28 april 2008 tegenover verbalisanten van de Sociale Recherche dat de op 13 maart 2008 in de woning van [C.T.] aangetroffen hoeveelheid cocaïne van 4 gram van hem is. Voorts heeft appellant verklaard dat de zilveren zak met daarin versnijdingsmiddelen voor cocaïne en een hasjpers eveneens van hem zijn. Over de restanten van de hennepkwekerij, die op zolder zijn aangetroffen, verklaart appellant dat dit blaadjes zijn die hij wilde drogen en vervolgens persen om er commerciële wiet van te maken. De Raad is van oordeel dat dit activiteiten betreft, die op geld waardeerbaar zijn en waarvan appellant melding had moeten maken bij het College. Nu hij dit heeft verzuimd, heeft hij ook wat dit aspect betreft de inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft erop gewezen dat hij is vrijgesproken door de strafrechter van het ten laste gelegde dat hij heeft gehandeld in cocaïne. De Raad merkt in dit kader op dat, de bestuursrechter naar vaste rechtspraak bij de vaststelling en de beoordeling van het aan hem voorgelegde geschil niet gebonden is aan hetgeen de desbetreffende rechter in een strafrechtelijk geding heeft geoordeeld. Overigens is appellant wel veroordeeld voor het aanwezig en voorhanden hebben van cocaïne alsmede middelen ter bereiding, bewerking of verwerking van cocaïne. Hieraan voegt de Raad nog toe dat ook het verrichten van voorbereidende werkzaamheden die, van welke aard dan ook, van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het bijstandsverlenend orgaan moeten worden gemeld. Appellant heeft dit nagelaten. Nu de omvang van de door appellant verrichte activiteiten bij gebrek aan enige administratie of ander bewijs niet kan worden bepaald, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, waardoor het College ook hierom bevoegd was om tot intrekking van de bijstand over te gaan.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant tegen de wijze van gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking en tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden naar voren heeft gebracht.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD