Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
11-1259 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek aanstelling in vaste dienst. Geen verlenging tijdelijke aanstelling. Een detachering vanuit een civielrechtelijk dienstverband telt niet mee in de reeks van tijdelijke aanstellingen. Dit wordt niet anders doordat het college aan appellant de interim-vervulling van de functie van projectmedewerker Handhaving heeft opgedragen. Er is geen vaste aanstelling ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1259 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 januari (2010, lees:) 2011, 10/8789 en 10/8794 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: college)

Datum uitspraak: 8 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.A. Meijer, juridisch adviseur te Zoetermeer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.E.G. Seedorf en J.L. Bal, beiden werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is van 1 juli 2006 tot 1 september 2007 vanuit een civielrechtelijk dienstverband met detacheringsbureau [naam B.V.] bij de gemeente gedetacheerd in de functie van inspecteur Handhaving.

Met ingang van 1 september 2007 is appellant op grond van artikel 2:4:1, eerste lid, sub c, onderdeel iii, van het Arbeidsvoorwaardenreglement gemeente Den Haag (ARG) aangesteld in tijdelijke dienst als projectmedewerker Handhaving tot uiterlijk 1 augustus 2009. De einddatum is vervolgens gewijzigd in 1 september 2009. Bij besluit van 27 augustus 2009 is de aanstelling verlengd tot 30 augustus 2010.

1.2. Bij brief van 21 juli 2010 heeft appellant verzocht om een besluit tot aanstelling in vaste dienst per 1 juli 2009. Appellant heeft dit verzoek gebaseerd op de stelling dat de detachering vanuit een civielrechtelijk dienstverband op basis waarvan hij bij de gemeente werkzaam is geweest gelijk gesteld dient te worden aan een tijdelijke aanstelling. Daarmee telt deze detachering mee in de reeks van tijdelijke aanstellingen als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van het ARG, zodat er door overschrijding van de termijn van 36 maanden met ingang van 1 juli 2009 sprake is van een vaste aanstelling, aldus appellant. Dit verzoek is bij besluit van 10 augustus 2010 door het college afgewezen. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling niet wordt verlengd en op 31 augustus 2010 van rechtswege afloopt. Tegen beide besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 30 november 2010 heeft het college de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep betoogt appellant dat de detachering vanuit een civielrechtelijk dienstverband wel degelijk meetelt in de reeks van tijdelijke aanstellingen, zodat een vaste aanstelling is ontstaan.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen vaste aanstelling is ontstaan. De detacheringsperiode zou slechts meetellen indien appellant vanuit een ambtelijke rechtspositie (bij een andere gemeente) bij het college was gedetacheerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 2:4, tweede lid, van het ARG, geldt vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, de laatste aanstelling met ingang van die dag als een vaste aanstelling. Op grond van het derde lid van dit artikel is deze regel niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. Niet langer in geschil is echter dat ten aanzien van appellant geen sprake is van een dergelijk project maar van een reeks reguliere tijdelijke aanstellingen.

4.2. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of een detachering vanuit een civielrechtelijk dienstverband meetelt in de reeks van tijdelijke aanstellingen zodat van rechtswege een vaste aanstelling is ontstaan.

4.2.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad blijft tijdens de detachering van een ambtenaar het dienstverband met het uitlenend bestuursorgaan, dat de ambtenaar heeft aangesteld, bestaan. Bij uitspraken van 17 april 2003 (LJN AF8422 en TAR 2003, 123) en van 11 november 2004 (LJN AR6912 en TAR 2005, 9) is door de Raad voorts tot uitdrukking gebracht dat, in ieder geval in situaties waarin het inlenend bestuursorgaan aan de gedetacheerde de volwaardige vervulling van de functie heeft opgedragen, de aard en de inhoud van die opdracht met zich mee brengen dat deze op één lijn gesteld dient te worden met de tijdelijke aanstelling, in die zin, dat ook met de inlener een tijdelijke ambtelijke rechtsverhouding ontstaat.

4.2.2. Dit betekent echter niet dat ook een detachering vanuit een civielrechtelijk dienstverband meetelt in de reeks van tijdelijke aanstellingen. De onder 4.2.1 weergegeven rechtspraak vindt haar rechtvaardiging in de omstandigheid dat het daarbij gaat om iemand die reeds elders als ambtenaar is aangesteld, met de daarbij behorende volwaardige ambtelijke rechtspositie. In het geval van appellant is aan deze voorwaarde niet voldaan. Naar het oordeel van de Raad voert het dan te ver om, voor de toepassing van bepalingen zoals artikel 2:4, tweede lid, van het ARG, de aan de gedetacheerde verstrekte tijdelijke opdracht met een tijdelijke aanstelling in de zin van het ARG gelijk te stellen.

4.2.3. Dit wordt niet anders doordat het college aan appellant de interim-vervulling van de functie van projectmedewerker Handhaving heeft opgedragen. Appellant heeft erop gewezen dat hij in deze hoedanigheid (zelfstandig) vooronderzoek heeft verricht, opsporende taken heeft gehad, en onderzoeken heeft gedaan waarbij hij woningen heeft betreden en objecten gecontroleerd. Deze omstandigheden kunnen er echter niet toe leiden dat artikel 2:4, tweede lid, van het ARG op appellant van (overeenkomstige) toepassing moet worden geacht. De Raad wijst op artikel 1:2, eerste lid, aanhef en onder g en h, van het ARG, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is, met of zonder opsporingsbevoegdheid, voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst niet als ambtenaar wordt beschouwd.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat in het geval van appellant, anders dan hij heeft aangevoerd, geen vaste aanstelling is ontstaan. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

K. Moaddine.

De griffier is buiten staat te tekenen.

HD