Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
11-1486 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke aanstelling niet verlengd. De bij besluit tot verlenging van de tijdelijke aanstelling vermelde beëindiging van rechtswege heeft geen formele rechtskracht gekregen. Het gaat slechts om de aankondiging van een rechtsgevolg dat zal zijn verbonden aan een (eventueel) nader te nemen besluit. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor betrokkene geen vaste aanstelling ontstaan. Het voert te ver om de vaste rechtspraak door te trekken naar een geval zoals hier aan de orde, waarin betrokkene niet door een andere overheidswerkgever bij appellant was gedetacheerd, maar door een particulier uitzendbureau op basis van een uitzendovereenkomst aan appellant ter beschikking was gesteld. Vernietiging aangevallen uitspraak. Appellant heeft zich terecht onder de hier aan de orde zijnde omstandigheden niet gehouden geacht om het dienstverband nog verder te verlengen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/75
ABkort 2012/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1486 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 februari 2011, 10/6676 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats,] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak:8 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.E.G. Seedorf en J.L. Bal, beiden werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is van 1 mei 2008 tot 1 november 2008 via een uitzendbureau werkzaam geweest in de functie van parkeercontroleur bij het dienstonderdeel Parkeren van de dienst Stadsbeheer. Met ingang van 1 november 2008 is betrokkene op grond van artikel 2:4 van het Arbeidsvoorwaardenreglement Gemeente Den Haag (ARG) aangesteld in tijdelijke dienst tot 1 mei 2009. Bij besluit van 23 februari 2010 is de tijdelijke aanstelling verlengd tot 1 mei 2010. Daarbij is meegedeeld dat op basis van een oordeel over het functioneren van betrokkene een besluit tot hernieuwde tijdelijke aanstelling of een vaste aanstelling zal volgen.

1.2. Over de periode van 1 mei 2009 tot en met februari 2010 is ten aanzien van betrokkene op 11 maart 2010 een beoordeling opgemaakt. Bij besluit van 31 maart 2010 is aan betrokkene medegedeeld dat de beoordeling nog niet wordt vastgesteld, omdat appellant naar aanleiding van nieuw verkregen informatie grote twijfels heeft over de houding en het gedrag van betrokkene. Appellant heeft bovendien ernstige twijfels of betrokkene de geschiktheid bezit om in vaste dienst te worden aangesteld. De aanstelling is bij wijze van proef verlengd tot 1 augustus 2010. Daarbij is vermeld dat geen vaste aanstelling zal worden verleend indien blijkt dat het gedrag van betrokkene inderdaad onacceptabel is. Daaraan is toegevoegd dat de aanstelling in dat geval van rechtswege afloopt met ingang van 1 augustus 2010.

1.3. Bij besluit van 20 april 2010 heeft appellant de tijdelijke aanstelling van betrokkene, gelet op zijn houding en gedrag, niet verlengd. In de brief is meegedeeld dat de aanstelling van betrokkene per 1 augustus 2010 van rechtswege afloopt. In bezwaar heeft betrokkene aangevoerd dat de aanstelling van 1 mei 2010 tot 1 augustus 2010 gelet op de uitzendperiode de vierde tijdelijke aanstelling is, zodat op grond van artikel 2:4, zesde lid, van het ARG per 1 mei 2010 van rechtswege een vaste aanstelling is ontstaan.

1.4. Bij het bestreden besluit van 25 augustus 2010 heeft appellant het bezwaar van betrokkene, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit van 25 mei (lees: augustus) 2010 vernietigd en het primaire besluit herroepen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de tijdelijke aanstelling van betrokkene per 1 mei 2010 is geconverteerd in een vaste aanstelling. Daarbij is overwogen dat niet in geschil is dat betrokkene als uitzendkracht werkzaamheden heeft verricht met een structureel karakter, welke identiek waren aan de werkzaamheden die hij in tijdelijke dienst heeft verricht. Tevens vonden deze werkzaamheden plaats onder verantwoordelijkheid van dezelfde leidinggevenden. Onder deze omstandigheden zag de rechtbank aanleiding om voor de toepassing van artikel 2:4 van het ARG de uitzendovereenkomst gelijk te stellen met een tijdelijke aanstelling als bedoeld in het ARG.

3. Appellant stelt zich op het standpunt dat de aanstelling van betrokkene van rechtswege is geëindigd op 1 augustus 2010, nu de periode waarin betrokkene via het uitzendbureau werkzaam is geweest, niet kan worden gekwalificeerd als een tijdelijke aanstelling als bedoeld in voornoemd artikel.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 2:4, zesde lid, van het ARG geldt vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, de laatste aanstelling als een vaste aanstelling.

4.2. Appellant heeft aangevoerd dat, nu betrokkene geen bezwaar gemaakt heeft tegen het besluit tot verlenging van de tijdelijke aanstelling van 31 maart 2010, de daarin vermelde beëindiging van rechtswege per 1 augustus 2010 formele rechtskracht heeft gekregen. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Het besluit van 31 maart 2010 was slechts gericht op de verlenging van de tijdelijke aanstelling van 1 mei 2010 tot 1 augustus 2010. In dit besluit is weliswaar aangegeven dat, indien van onacceptabel gedrag mocht blijken, geen vaste aanstelling zal worden verleend en de aanstelling in dat geval met ingang van 1 augustus 2010 van rechtswege afloopt, maar daarbij gaat het slechts om de aankondiging van een rechtsgevolg dat (volgens appellant) zal zijn verbonden aan een (eventueel) nader te nemen besluit. Een dergelijke aankondiging is zelf niet op rechtsgevolg gericht en daarom niet vatbaar voor bezwaar of beroep. Het rechtsgevolg van de beëindiging van het dienstverband is pas geconstateerd bij het besluit van 20 april 2010, dat door betrokkene is aangevochten. Voor zover appellant wil betogen dat (reeds) had moeten worden opgekomen tegen het tijdelijke karakter van de derde verleende aanstelling - en dat bij gebreke daarvan geen vaste aanstelling kan ontstaan - verdraagt die zienswijze zich niet met de bewoordingen en de strekking van artikel 2:4, zesde lid, van het ARG. Dit artikellid verbindt immers het rechtsgevolg van het ontstaan van een vaste aanstelling juist aan de tijdelijkheid van de opeenvolgend verleende aanstellingen.

4.3. Zoals de Raad tot uitdrukking heeft gebracht in zijn uitspraken van 17 april 2003 (LJN AF8422 en TAR 2003, 123) en 11 november 2004 (LJN AR6912 en TAR 2005, 9) brengen, in ieder geval in situaties waarin het inlenend bestuursorgaan aan een door een ander bestuursorgaan bij hem gedetacheerde ambtenaar de volwaardige vervulling van de functie heeft opgedragen, de aard en de inhoud van die opdracht met zich mee dat deze op één lijn gesteld dient te worden met de tijdelijke aanstelling, in die zin, dat ook met de inlener een tijdelijke ambtelijke rechtsverhouding ontstaat.

4.4. Op zichzelf is niet in geschil dat appellant, als inlenend bestuursorgaan, aan betrokkene gedurende de uitzendperiode de volwaardige vervulling van de functie van parkeercontroleur bij het dienstonderdeel Parkeren van de dienst Stadsbeheer heeft opgedragen. Naar het oordeel van de Raad is daarin echter onvoldoende grond gelegen om deze uitzendperiode mee te tellen voor de toepassing van een bepaling zoals artikel 2:4, zesde lid, van het ARG. Het voert te ver om de onder 4.3 bedoelde rechtspraak door te trekken naar een geval zoals hier aan de orde, waarin betrokkene niet door een andere overheidswerkgever bij appellant was gedetacheerd, maar door een particulier uitzendbureau op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek aan appellant ter beschikking was gesteld.

4.5. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voor betrokkene geen vaste aanstelling is ontstaan. De Raad komt derhalve toe aan de vraag of de weigering van appellant om de duur van het dienstverband ook na 1 augustus 2010 te verlengen in rechte stand houdt.

4.6. Naar vaste rechtspraak van de Raad vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na verloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht (CRvB 5 juni 2003, LJN AH9041 en TAR 2003, 171).

4.7. Niet in geschil is, dat aan betrokkene is toegezegd dat hij bij goed en volledig functioneren per 1 mei 2010 in vaste dienst zou worden benoemd. Bij het besluit van 31 maart 2010 is evenwel - zoals reeds onder 1.2 en 4.1 uiteengezet - aangegeven dat over het functioneren van betrokkene ernstige twijfels waren gerezen, dat zou worden onderzocht wat er precies gespeeld heeft en dat, indien inderdaad van onacceptabel gedrag blijkt, geen vaste aanstelling zou worden verleend. Hiertegen heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt. Onder deze omstandigheden was de aan betrokkene gedane toezegging van een vaste aanstelling afhankelijk van de resultaten van het lopende onderzoek. Deze resultaten zijn voor betrokkene niet gunstig uitgevallen. Het mag zo zijn dat niet is aangetoond dat hij op het werk heeft "geblowed", maar op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is wel aannemelijk geworden dat betrokkene in de hier van belang zijnde periode onvoldoende productie heeft geleverd en regelmatig, in strijd met zijn instructies, wezenlijke taken niet heeft uitgevoerd. Met name is aannemelijk dat betrokkene tekort is geschoten bij het scannen van digitale parkeervergunningen en bij slecht weer in de auto is blijven zitten. Niet ten onrechte heeft appellant zich onder deze omstandigheden niet gehouden geacht om het dienstverband nog verder te verlengen.

4.8. Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

K. Moaddine.

De griffier is buiten staat te tekenen.

HD