Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9042

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
11-4290 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Appellant heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie, zodat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting. Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld. Appellant kan niet worden aangemerkt als adresloze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4290 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige Kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2011, 10/3790 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is een meerderjarige vreemdeling van gestelde Chinese nationaliteit. Hij is niet eerder in Nederland toegelaten en heeft een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Die aanvraag is bij brief van 28 mei 2009 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst bevestigd. Appellant stelt in verband met het ontbreken van identiteitsbewijzen en/of reisdocumenten vooralsnog niet naar China terug te kunnen keren, omdat hij daar zonder geldige reispapieren niet wordt toegelaten.

1.2. Bij brief van 27 november 2009 aan de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: de afdeling SoZaWe) heeft mr. K.R. Verkaart, kantoorgenoot van mr. Koevoets, namens appellant een aanvraag gedaan om een uitkering om te voorzien in zijn basisbehoeften.

1.3. Bij brief van 22 maart 2010 aan appellant, geadresseerd aan het kantoor van mr. Koevoets, heeft de afdeling SoZaWe gevraagd om een ondertekende verklaring waarin appellant - kort gezegd - vóór 30 maart 2010 zijn verblijfplaats en woonsituatie duidelijk maakt. Bij brief van 29 maart 2010 heeft mr. Koevoets daarop geantwoord dat het voor appellant onmogelijk is om zijn feitelijke verblijfplaats op deze termijn aan te tonen.

1.4. Bij besluit van 31 maart 2010 heeft het College de aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant geen verblijfstitel heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat.

1.5. Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 31 maart 2010 ongegrond verklaard. Het College heeft de afwijzing van de aanvraag thans gebaseerd op de grond dat appellant heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie, zodat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand van appellant niet worden vastgesteld, aldus het College.

1.6. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat het College de doorzendplicht, neergelegd in artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft geschonden. Hij heeft in dit verband gewezen op het Besluit WWB 2007, waarin onder meer verwezen wordt naar het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (hierna: het Besluit). Daarin zijn zogenoemde centrumgemeenten aangewezen waar belanghebbenden zonder adres zich voor het verlenen van bijstand kunnen melden. Daarbij heeft appellant gesteld dat hij als een adresloze moet worden aangemerkt en dat het College heeft verzuimd de aanvraag door te zenden naar één van die centrumgemeenten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 augustus 2010 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 december 2010, LJN BO9349, heeft de rechtbank overwogen dat als gevolg van de omstandigheid dat appellant zijn feitelijke verblijfplaats niet aan het College bekend heeft gemaakt, het College niet in staat was te beoordelen welk bestuursorgaan kennelijk bevoegd was de aanvraag van appellant in behandeling te nemen. Daarom kan volgens de rechtbank het beroep van appellant op schending van de doorzendplicht niet slagen.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het College gehouden was de aanvraag van appellant inhoudelijk te behandelen, nu de gemeente Rotterdam een centrumgemeente is als onder 1.6 bedoeld. Het College mag appellant voorts niet tegenwerpen dat hij zijn feitelijke verblijfplaats niet heeft aangetoond, nu het College niet toestaat dat hij zich inschrijft in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA). Met de registratie van zijn postadres heeft hij zoveel mogelijk zijn feitelijke verblijfplaats aangetoond.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. De Raad stelt vast dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 27 november 2009, de datum van de aanvraag, tot en met 31 maart 2010, de datum waarop het primaire besluit is genomen.

4.2. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust en hij maakt deze dan ook tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen appellant in het hoger beroepschrift heeft aangevoerd, voegt de Raad daar nog het volgende aan toe.

4.3. De Raad stelt vast dat het College zowel bij besluit van 31 maart 2010 als bij besluit van 12 augustus 2010 een beslissing heeft genomen op de aanvraag van appellant. Hierop stuit de klacht af dat het College, omdat Rotterdam een centrumgemeente is als onder 1.6 bedoeld, de aanvraag inhoudelijk had moeten beoordelen.

4.4. Voor zover appellant heeft beoogd te stellen dat hij moet worden aangemerkt als een belanghebbende zonder adres, zoals bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB, in verbinding met artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: adresloze), faalt dit betoog eveneens. Appellant heeft zich noch in zijn aanvraag, noch in reactie om het verzoek om inlichtingen omtrent zijn verblijfsplaats, noch in bezwaar gepresenteerd als adresloze. Voorts ontbreekt concrete en verifieerbare informatie over de feitelijke verblijfplaats(en) van appellant. Niet bekend is immers op welke locaties appellant de nachten doorbracht. Nu appellant ten slotte heeft volstaan met het opgeven van een postadres, te weten het adres van het advocatenkantoor van mr. Koevoets, heeft appellant het College niet in de gelegenheid gesteld te beoordelen of hij een adresloze is.

4.5. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Niet valt in te zien waarom appellant, vanwege de omstandigheid dat hij zich niet kon inschrijven in het GBA, niet in staat was feiten en omstandigheden als hier bedoeld naar voren te brengen. Daarbij kan een postadres naar zijn aard niet zo een feit zijn, omdat het juist niets zegt omtrent de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene.

4.6. Het vorenoverwogene leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) E. Heemsbergen.

HD