Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
11-6154 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Nu de minister het ingewonnen medische advies naast zich heeft neergelegd en verzoekster bijgevolg niet in staat is gesteld de noodzakelijk geachte therapie te volgen, heeft de minister niet zonder nader medisch advies in te winnen tot het ontslag van verzoekster kunnen besluiten. Er bestaat een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6154 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van

20 september 2011, 11/1025 en 11/4270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: minister)

Datum uitspraak: 19 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2011. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door D. Šakovic, sociaal-juridisch adviseur te Koog aan de Zaan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Wieringa-van Rees, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, en mr. K.H. Tjan, werkzaam bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekster was werkzaam bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (hierna: CIBG), een agentschap van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, laatstelijk in de functie van [functie].

1.2. Na een eerdere periode van (soms gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, en hervatting in 2005, heeft verzoekster zich in september 2007 wederom ziek gemeld.

1.3. Bij brief van 3 juni 2009 heeft de minister verzoekster bericht dat het voornemen bestaat om haar met ingang van 1 november 2009 ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. Voordat daartoe wordt overgegaan zal het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) worden gevraagd te adviseren over de medische geschiktheid van de functie van verzoekster.

1.4. Op 8 juli 2009 heeft de bedrijfsarts meegedeeld dat verzoekster gefaseerd kan hervatten in haar eigen werk en naar verwachting in september 2009 volledig zal zijn gere-integreerd. Daarom heeft de minister het Uwv niet benaderd.

1.5. Op 26 augustus 2009 heeft de bedrijfsarts meegedeeld dat verzoekster volledig kan hervatten. Verzoekster heeft dit ook gedaan, zij het niet naar tevredenheid van haar leidinggevende. Op 4 januari 2010 heeft verzoekster zich andermaal ziek gemeld.

1.6. Op 14 juni 2010 heeft de bedrijfsarts de resultaten van een op haar verzoek ingesteld (neuro)psychologisch onderzoek door onderzoeksbureau HSK aan de minister teruggekoppeld. Volgens de bedrijfsarts blijkt uit het onderzoek dat er sprake is van een beperking die belemmerend werkt voor het re-integratieproces. De prognose is niet ongunstig. Wel zal (gerichte) therapie nodig zijn om het herstel positief te beïnvloeden.

1.7. De bedrijfsarts heeft in haar werkhervattingsadvies van 2 juli 2010 vermeld dat verzoekster per 1 juli 2010 voor 36 uur per week arbeidsgeschikt wordt geacht. In een werkhervattingsadvies van 8 juli 2010 is dit gewijzigd in 20 uur per week. Verzoekster werd belast met het opschonen van zogenoemde WGP-dossiers.

1.8. Na een voornemen daartoe op 13 augustus 2010 heeft de minister bij besluit van 1 oktober 2010 verzoekster per laatstgenoemde datum ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Daaraan ligt in hoofdzaak ten grondslag dat verzoekster er niet in is geslaagd om in de afgelopen jaren verbetering aan te brengen in de kwaliteit en kwantiteit van haar werkzaamheden, terwijl hier geen fysieke of psychische oorzaken voor zijn aan te wijzen. Mede daarom is bij de minister het vertrouwen komen te ontbreken dat een blijvende verbetering in het functioneren van verzoekster kan worden bereikt.

1.9. Bij besluit van 27 april 2011 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister het besluit van 1 oktober 2010 gehandhaafd, met dien verstande dat de ingangsdatum van het ontslag (nader) is bepaald op de dag na die waarop het besluit van 1 oktober 2010 aan verzoekster is uitgereikt.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat, gelet op het functioneren van verzoekster in de loop der jaren, in voldoende mate aannemelijk is geworden dat het haar ontbreekt aan eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor het op goede wijze vervullen van haar functie.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen van de zijde van verzoekster is aangevoerd voldoende spoedeisend belang.

3.3. Bij de beoordeling of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, komt in een geval als dit mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van het onderhavige verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

3.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Daarbij is tevens van belang of betrokkene tijdig met zijn tekortkomingen is geconfronteerd en de mogelijkheid en tijd heeft gehad zich te verbeteren (CRvB 24 april 2008, LJN BD0977 en TAR 2008, 153).

3.5. De Raad heeft voorts al eerder overwogen (CRvB 12 april 2007, LJN BA3020, TAR 2007, 104 en CRvB 28 augustus 2008, LJN BF0077 en TAR 2009, 47) dat onderzoek naar het bestaan van een eventuele medische oorzaak van de ongeschiktheid aangewezen is in die gevallen waarin aanwijzingen voorhanden zijn dat de ongeschiktheid van een ambtenaar (mede) voortkomt uit of samenhangt met een ziekte of gebrek of waarin gerede twijfel bestaat of het onvoldoende functioneren van een ambtenaar wordt veroorzaakt door het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van een functie vereist zijn dan wel door ziekte of gebreken.

3.6.1. Vaststaat dat van de zijde van de minister twijfel bestond of sprake was van een medische oorzaak voor het gestelde disfunctioneren van verzoekster, die sinds 11 september 2007 meerdere, soms langdurige, periodes van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid heeft gekend. Die twijfel heeft immers geleid tot het onder 1.6 genoemde (neuro)psychologisch onderzoek door onderzoeksbureau HSK, van welk onderzoek de bedrijfsarts in haar memo van 14 juni 2010 overigens slechts zeer summier verslag heeft gedaan.

3.6.2. Ter zitting is gebleken dat de minister zich niet op de hoogte heeft gesteld van de aard van de voor verzoekster geldende beperking alsmede de (aard van de) therapie die HSK noodzakelijk heeft geacht ten behoeve van het herstel van verzoekster. Vaststaat dat verzoekster geen therapie heeft gevolgd. Volgens de minister is dit niet gebeurd, omdat verzoekster nadien weer aan de slag is gegaan. De minister heeft ter zitting verder erkend dat de bedrijfsarts het advies om verzoekster therapie te laten volgen naast zich heeft neergelegd. De voorzieningenrechter constateert bovendien dat de minister twee tegengestelde adviezen heeft gekregen met betrekking tot de arbeids(on)geschiktheid van verzoekster per 1 juli 2010. De bedrijfsarts De Rooij-Diederen heeft op 2 juli 2010 geoordeeld dat verzoekster per 1 juli 2010 voor 36 uur per week arbeidsgeschikt is te achten. Dit oordeel is echter op 8 juli 2010 door een andere bedrijfsarts, die verzoekster voor (slechts) 20 uur per week arbeidsgeschikt achtte, overruled. Vervolgens heeft de minister al op 13 augustus 2010 het voornemen kenbaar gemaakt verzoekster te ontslaan.

3.6.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister, nu hij het bij HSK ingewonnen advies naast zich heeft neergelegd en verzoekster bijgevolg niet in staat is gesteld de door HSK noodzakelijk geachte therapie te volgen, niet zonder nader medisch advies in te winnen tot het ontslag van verzoekster heeft kunnen besluiten. De minister heeft dit echter wel gedaan. Het had echter op zijn weg gelegen zich nader te laten adviseren met betrekking tot de gezondheidstoestand van verzoekster - bijvoorbeeld door het Uwv, zoals in de brief van 3 juni 2009 was aangekondigd. In de bezwaarschriftprocedure heeft de minister deze lacune niet ongedaan gemaakt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister daarom niet tot ongegrondverklaring van het bezwaar kunnen komen.

3.6.4. Bij het voorgaande is tevens van belang dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van ongeschiktheid wegens ziekte voor een bepaalde functie tevens sprake is indien op grond van medische gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat bij en als gevolg van hervatting in dit eigen werk wederom uitval wegens ziekte zal plaatsvinden en/of dat hervatting tot schade van de gezondheid zal leiden (CRvB 1 september 2005, LJN AU2922 en TAR 2006, 49).

3.7. Al het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Daarom zal de voorzieningenrechter bepalen dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.

4. De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig de minister met toepassing van artikel 8:84 in verband met artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze worden begroot op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

Schorst de werking van de uitspraak van de rechtbank, totdat op het hoger beroep is beslist;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat de griffier van de Raad het door verzoekster betaalde griffierecht van € 227,- terugbetaalt aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

RB