Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
10-27 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand. Terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de vrijwilligersvergoedingen van invloed konden zijn op haar recht op bijstand en dat zij deze vergoedingen op de inkomstenverklaringen had dienen op te geven. Appellante bleef zelf verantwoordelijk om op de maandelijks in te leveren inkomensverklaring te vermelden welke vergoedingen zij voor haar vrijwilligerswerk heeft ontvangen. Het enkele feit dat het College in de omstandigheden van dit geval aanleiding heeft gevonden af te zien van de brutering betekent niet dat het daarmee erkent een fout te hebben gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/27 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2009, 08/4271 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van begeleiding naar een participatieplaats is gebleken dat appellante een urenuitbreiding heeft gehad van haar vrijwilligerswerk voor [stichting] en dat zij vrijwilligerswerk verricht bij de [buitenschoolse opvang]. Het College heeft vervolgens een onderzoek verricht naar de inkomsten die appellante met haar vrijwilligerswerk heeft ontvangen. Op grond van de resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 15 mei 2008, heeft het College geconcludeerd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij haar vergoedingen voor het vrijwilligerswerk bij de [buitenschoolse opvang] niet heeft doorgegeven. Zij heeft hierdoor te veel uitkering ontvangen en dit dient van haar te worden teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 30 mei 2008 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 herzien met toepassing van de artikelen 17 en 54, derde lid, onder a, van de WWB. Nu de inkomsten van appellante niet konden worden gekort op haar uitkering, heeft het College tevens over de genoemde periode een bedrag van € 1.768,46 bruto van appellante teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB.

1.3. Bij besluit van 17 september 2008 heeft het College het tegen het besluit van 30 mei 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat het College ambtshalve heeft afgezien van de brutering en de terugvordering heeft beperkt tot het netto bedrag van € 1.134,70.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante betwist dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden en wijst erop dat zij haar vergoeding voor het vrijwilligerswerk niet heeft gezien als inkomsten en dat zij deze vergoeding dan ook niet hoefde te melden op de maandelijks in te leveren inkomstenverklaring. Naar het oordeel van de Raad kan deze beroepsgrond niet slagen. Uit de brochure van de [buitenschoolse opvang] blijkt wat een vrijwilliger maximaal mag verdienen en dat het meerdere wordt gekort op de uitkering. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de vrijwilligersvergoedingen van invloed konden zijn op haar recht op bijstand en dat zij deze vergoedingen op de inkomstenverklaringen had dienen op te geven. De Raad voegt hieraan toe dat op de maandelijks in te leveren inkomstenverklaring niet alleen wordt gevraagd naar inkomsten uit arbeid, maar ook naar andere inkomsten.

4.2. Met betrekking tot de stelling van appellante dat zij haar vrijwilligerswerk bij [buitenschoolse opvang] heeft gemeld aan haar bewindvoerder overweegt de Raad het volgende. Nog daargelaten dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar vrijwilligerswerk bij [buitenschoolse opvang] heeft doorgegeven aan haar bewindvoerder met de bedoeling om dit te melden aan het College was appellante op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB zelf verantwoordelijk om op de maandelijks in te leveren inkomensverklaring te vermelden welke vergoedingen zij voor haar vrijwilligerswerk heeft ontvangen.

4.3. Gelet op de onder 4.2 bedoelde eigen verantwoordelijkheid van appellante, volgt de Raad appellante evenmin in haar betoog dat de bewindvoerder van appellante had moeten worden gehoord over het melden door hem van het vrijwilligerswerk van appellante aan het College.

4.4. Appellante heeft ten slotte naar voren gebracht dat het verlagen van de terugvordering naar het netto bedrag in plaats van het bruto bedrag erkenning van een fout van het College impliceert. Het enkele feit dat het College in de omstandigheden van dit geval aanleiding heeft gevonden af te zien van de brutering betekent naar het oordeel van de Raad niet dat het daarmee erkent een fout te hebben gemaakt. Dat het College afziet van de brutering, doet voorts niet af aan de schending van de inlichtingenverplichting door appellante, zodat deze beroepsgrond niet kan slagen.

4.5. Op grond van hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C. van Viegen en

W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) M.A. van Amerongen.

HD