Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
10-6030 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om uitbreiding van de extra huishoudelijke hulp tot twee keer vier uur per week. Geen medische noodzaak voor uitbreiding van het aantal uren huishoudelijke hulp aan appellant. Het door verweerder ontwikkelde beleid met betrekking tot de toekenning van huishoudelijke hulp aan gehuwde en duurzaam samenlevende betrokkenen is in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van artikel 20 van de Wuv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6030 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 15 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Het geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 november 2010, kenmerk BZ01223200, BZ01 WUV 000387 (hierna: bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in [1940] te Amsterdam, is bij besluit van verweerder van 10 augustus 1973 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en aan hem is met ingang van 1 juli 1970 een periodieke uitkering toegekend. Bij besluit van 31 maart 2003 is aan appellant met ingang van 1 februari 2003 onder meer een vergoeding voor extra huishoudelijke hulp toegekend voor ten hoogste vier uur per week.

1.2. Bij vervolgaanvraag in januari 2010 heeft appellant, die op dat moment nog woonachtig was in Israël, bij het Nederlands Informatie Kantoor te Jeruzalem verzocht om uitbreiding van de extra huishoudelijke hulp tot twee keer vier uur per week in verband met een verslechtering van zijn gezondheid. Bij huisbezoek bleek dat appellant in 2002 ernstige hartklachten heeft ontwikkeld en aansluitend is getroffen door een beroerte waarvan hij maar ten dele hersteld is. Als gevolg van in het bijzonder de aan de beroerte overgehouden spasmen is appellant sterk beperkt in zijn mobiliteit en niet meer in staat huishoudelijke taken te verrichten terwijl hij wel veel extra huishoudelijk werk veroorzaakt.

1.3. Voorts bleek dat de echtgenote van appellant, die eveneens Wuv-gerechtigd is, in 2002 van verweerder twee keer vier uur per week huishoudelijke hulp toegekend heeft gekregen in verband met bij haar bestaande ziekten en gebreken.

1.4. Bij besluit van 9 augustus 2010, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op grond van aan hem uitgebrachte medische adviezen de aanvraag van appellant afgewezen onder de overweging dat deze voorziening niet medisch noodzakelijk is in verband met de causale psychische klachten van appellant omdat appellant en zijn echtgenote samen al twaalf uur per week huishoudelijke hulp toegekend hebben gekregen.

1.5. In beroep heeft appellant aangevoerd dat bij het primaire besluit van 9 augustus 2010 ten onrechte geen rekening is gehouden met de verslechterde gezondheidssituatie van zijn echtgenote terwijl bij het bestreden besluit als motivering voor de weigering meer dan vier uur huishoudelijke hulp toe te kennen kennelijk het feit dat appellant en zijn echtgenote nog in staat zijn zelf hun maaltijden te bereiden van doorslaggevende aard is geweest. Voorts stelt hij dat verweerder ten onrechte geen grondig (medisch) onderzoek heeft verricht naar de situatie waarin hij en zijn echtgenote zich bevinden. Appellant stelt overigens dat hij in het geheel niet meer in staat is tot maaltijdbereiding en dat het zijn echtgenote heel zwaar valt, aangezien zij na een dubbele borstamputatie haar armen niet goed meer kan gebruiken en snel vermoeid is.

1.6. Verweerder stelt hier tegenover dat het op grond van zijn beleid met betrekking tot de voorziening voor huishoudelijke hulp alleen mogelijk is om aan een echtpaar meer dan twaalf uur huishoudelijke hulp toe te kennen indien er sprake is van beperkingen in de maaltijdbereiding door vervolgingsgerelateerde klachten.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de Wuv worden, indien de vervolgde wegens ziekten of gebreken welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd geneeskundige behandeling en verpleging behoeft, de daaraan verbonden ten laste van de vervolgde blijvende noodzakelijke kosten, alsmede de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen, volledig vergoed.

2.2. Verweerder hanteert met betrekking tot de toewijzing van het aantal uren huishoudelijke hulp het beleid dat als twee Wuv-gerechtigden met elkaar gehuwd zijn of duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, maximaal twintig uur (vijf dagdelen) per week huishoudelijke hulp toegekend kan worden voor het gehele huishouden. Verder geldt dat wanneer gezamenlijk meer dan twaalf uur huishoudelijke hulp wordt gevraagd, de toegekende of toe te kennen hulp van de partner bij de beoordeling van de omvang van de toe te kennen huishoudelijke hulp wordt betrokken. Ook vermeldt het beleid dat meer dan twee dagdelen alleen dan kunnen worden toegekend wanneer er bij een belanghebbende causale beperkingen zijn in de maaltijdbereiding of indien sprake is van ernstige (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag.

2.3. In het medisch advies dat ten grondslag ligt aan het besluit van 9 augustus 2010 merkt de adviseur op dat appellant niet meer in staat is zware of lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en er daarom een medische indicatie bestaat voor het toekennen van acht uur huishoudelijke hulp. Echter, omdat de echtgenote van appellant reeds acht uur huishoudelijke hulp heeft toegekend heeft gekregen en er geen sprake is van beperkingen in de maaltijdbereiding, chaotisch gedrag of (zelf)verwaarlozing, kan niet meer dan twaalf uur huishoudelijke hulp per week worden toegekend aan de echtelieden tezamen, zodat er geen medische noodzaak bestaat voor uitbreiding van het aantal uren huishoudelijke hulp aan appellant.

2.4. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder nader toegelicht waarom niet meer dan twaalf uur per week huishoudelijke hulp wordt toegekend in een situatie zoals onderhavige. De zware huishoudelijke werkzaamheden, zoals stofzuigen, ramen lappen en sanitair schoonmaken, waarvoor per huishouden vier uur per week huishoudelijke hulp wordt vergoed, zullen in de regel binnen één huishouden niet twee keer per week te hoeven worden verricht, zodat deze vier uur maar één keer wordt toegekend. Wanneer daarnaast, zoals in het geval van appellant en zijn echtgenote, beiden recht hebben op een vergoeding van vier uur per week hulp bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, bedraagt het maximaal toe te kennen uren huishoudelijke hulp één keer vier uur voor de zware huishoudelijke werkzaamheden en twee keer vier uur voor de lichtere werkzaamheden, dus twaalf uur per week. Dit kan, aldus de gemachtigde, alleen anders zijn indien op grond van causale ziekten of gebreken verdergaande hulp noodzakelijk is, welke situatie zich echter in dit geval niet voordoet.

2.5. Met deze nadere uitleg acht de Raad het door verweerder ontwikkelde beleid met betrekking tot de toekenning van huishoudelijke hulp aan gehuwde en duurzaam samenlevende betrokkenen in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van artikel 20 van de Wuv. Op grond van de gedingstukken is voorts duidelijk dat de verdergaande beperkingen van appellant en zijn echtgenote niet in het vereiste verband staan met de door hem ondergane vervolging. De ook voor appellant en zijn echtgenote geldende regeling inzake het vervallen van de causaliteitseis voor personen van 70 jaar en ouder is, gezien de onder 2.4 vermelde toelichting, niet van toepassing voor zover een uitbreiding tot meer dan (in totaal) twaalf uur huishoudelijke hulp aan de orde is (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid van het Besluit van 16 juni 2004, betreffende causaliteit en voortzetting voorzieningen voor oorlogsgetroffenen, Stb. 2004, 282). Het beroep slaagt daarom niet.

3. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

S. Werensteijn.

De griffier is buiten staat te tekenen.

HD