Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
10-1181 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering is terecht omdat na de ontruiming van zijn woning, Amsterdam niet meer de woonplaats van appellant was. Beroep tegen niet tijdig beslissen is door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat het bestreden besluit wordt vernietigd, met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1181 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2010, 09/2801 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde]) hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Namens appellant is [gemachtigde] verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 16 januari 2007 bijstand van het College ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 7 mei 2007 heeft het College appellant toestemming verleend om met behoud van uitkering naar het buitenland te gaan voor de periode van 23 mei 2007 tot en met 17 augustus 2007. Daarbij is appellant verzocht zich na terugkeer, met zijn legitimatiebewijs en een eventueel vliegticket, te melden op 20 augustus 2007.

1.3. Bij besluit van 6 juli 2007 heeft de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb) aan appellant, in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd op 17 augustus 2007, met ingang van augustus 2007 een voorschot op zijn ouderdomspensioen (hierna: AOW-pensioen) verleend. In verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft het College appellant bij brief van 27 juni 2007 verzocht om zo spoedig mogelijk de brief inzake toekenning van het AOW-pensioen te verstrekken.

1.4. Op 15 augustus 2007 is, na een gerechtelijk vonnis, de door appellant gehuurde woning op het uitkeringsadres [adres 1] ontruimd.

1.5. In een rapportage van 5 oktober 2007 heeft bijstandsconsulent L.S.R. Picasouw vermeld dat appellant zich na zijn terugkeer uit het buitenland nooit heeft gemeld en ook geen stukken heeft ingeleverd, dat niet duidelijk is waar appellant na de ontruiming van zijn woning verblijft en dat er wel enkele keren telefonisch contact is geweest met [gemachtigde], woonachtig op het adres [adres gemachtigde] in Zutphen. Hierop heeft het College bij besluit van diezelfde datum, verzonden naar het adres in Zutphen, het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2007 opgeschort. Voorts is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 19 oktober 2007 en verzocht een aantal stukken mee te brengen.

1.6. Bij brief van 18 oktober 2007 heeft appellant de gevraagde stukken toegestuurd en als tijdelijke verblijfplaats en correspondentieadres het adres van [gemachtigde] in Zutphen opgegeven. Voorts is in die brief gesteld dat appellant op 27 augustus 2007 op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI) op de Wibautstraat in Amsterdam een bewijs van terugkomst op 19 augustus 2007 heeft getoond.

1.7. Bij besluit van 21 november 2007 heeft de Svb aan appellant met ingang van augustus 2007 een, vanwege elf niet verzekerde jaren gekort, AOW-pensioen verleend. In dat besluit is appellant in verband met een mogelijk recht op een aanvullende bijstandsuitkering verwezen naar de gemeente.

1.8. Op 27 november 2007 heeft appellant zich laten uitschrijven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) van de gemeente Amsterdam, waarbij hij als nieuw woonadres het adres van [gemachtigde] in Zutphen heeft opgegeven.

1.9. Bij brief van 1 december 2007 heeft appellant bij het College om aanvullende bijstand gevraagd.

1.10. Bij besluit van 6 februari 2009 heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 15 augustus 2007 ingetrokken op de grond dat appellant geen duidelijke informatie heeft verstrekt over zijn woon- en verblijfplaats na de ontruiming van zijn woning, waardoor niet is vast te stellen of Amsterdam nadien nog de woonplaats van appellant was.

1.11. Bij brief van 26 mei 2009 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2009.

1.12. Bij besluit op bezwaar van 30 juni 2009 heeft het College de intrekking van de bijstand ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB gehandhaafd op de grond dat appellant door de ontruiming van zijn woning op 15 augustus 2007 zijn woonstede in de gemeente Amsterdam heeft verloren, zodat hij ingevolge artikel 40 van de WWB over de periode van 15 augustus 2007 tot 27 november 2007 geen recht heeft op bijstand. Voorts heeft het College bij het besluit van 30 juni 2009 de aanvraag van appellant om aanvullende bijstand op diezelfde grond afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het College bij besluit van 30 juni 2009 alsnog op het bezwaar heeft beslist en niet gebleken is dat appellant nog enig belang heeft bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Voorts heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht, het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij wel degelijk belang had en heeft bij een beoordeling van zijn recht op aanvullende bijstand, omdat hij lang ver beneden het sociale minimum heeft moeten leven. Ten aanzien van de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009 heeft appellant, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft steeds alle inlichtingen verschaft. Hij heeft reeds op 20 augustus 2007 telefonisch de situatie uitgelegd, en vervolgens ook op 27 augustus 2007 bij zijn bezoek aan de DWI en in zijn brief van 18 oktober 2007. Door de ontruiming van zijn woning had hij geen slaapadres in Amsterdam, zodat hij noodgedwongen in Zutphen heeft verbleven. Het was een tijdelijke verblijfplaats, hij heeft zijn woonplaats in Amsterdam niet opgegeven en had de intentie terug te keren naar Amsterdam. Hij heeft zich pas op 27 november 2007 ingeschreven in de GBA van de gemeente Zutphen en stond tot dan toe ingeschreven in de GBA van de gemeente Amsterdam. Hij kreeg in Zutphen ook geen bijstandsuitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het College bij besluit van 30 juni 2009 alsnog op het bezwaar heeft beslist en niet gebleken is dat appellant nog enig belang heeft bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De stelling van appellant dat hij wel degelijk een belang had en heeft bij een beoordeling van zijn recht op aanvullende bijstand, omdat hij lang ver beneden het sociaal minimum heeft moeten leven, leidt niet tot een ander oordeel. De beoordeling of appellant recht heeft op aanvullende bijstand vindt immers plaats in het kader van de beoordeling van het besluit van 30 juni 2009.

4.2. De Raad oordeelt vervolgens over de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009.

4.2.1. De Raad stelt voorop dat het College ter zitting van de Raad heeft verklaard de grondslag van de intrekking - artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB - niet langer te handhaven. Aangezien vaststaat dat na de ontruiming van de woning van appellant en de terugkeer van appellant uit het buitenland (telefoon)gesprekken tussen appellant dan wel [gemachtigde] en medewerkers van de DWI hebben plaatsgevonden en van deze gesprekken geen telefoonnotities bekend zijn, stelt het College zich thans op het standpunt dat het niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten aanzien van diens woon- en leefsituatie in de hier te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet of onvoldoende is nagekomen. Het College handhaaft wel zijn standpunt dat appellant in de te beoordelen periode zijn woonplaats in de gemeente Amsterdam heeft verloren, zodat appellant ingevolge artikel 40 van de WWB geen recht op bijstand jegens het College heeft. Het College heeft geconcludeerd dat het de intrekking op artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB had moeten baseren en heeft de Raad verzocht zijn nadere standpunt bij de beoordeling te betrekken.

4.2.2. De Raad onderschrijft het standpunt van het College dat het niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit brengt mee dat het College bij het besluit van 30 juni 2009 de intrekking ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009 ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 30 juni 2009 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het de intrekking betreft. De Raad zal voorts beoordelen of er aanleiding is te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven.

4.2.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 1:10, eerste lid, van het BW is bepaald dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2009, LJN BK5310), sluit dit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan, zodat de vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dan ook dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

4.2.4. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat appellant in de te beoordelen periode zijn woonplaats niet meer in de gemeente Amsterdam had. Appellant had als gevolg van de ontruiming op 15 augustus 2007 geen beschikking meer over zijn woning en heeft evenmin elders in Amsterdam verbleven. Niet in geschil is dat hij vanaf zijn terugkomst uit het buitenland bij [gemachtigde] in Zutphen heeft verbleven. Het standpunt van appellant dat het slechts om een tijdelijk verblijf in Zutphen ging en hij de intentie had zich weer in Amsterdam te vestigen, treft geen doel. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er mogelijkheden waren terug te keren naar zijn ontruimde woning dan wel dat hij heeft gepoogd een andere woning in Amsterdam te krijgen. Dat appellant nog tot 27 november 2007 ingeschreven heeft gestaan in de GBA van de gemeente Amsterdam is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat hij zijn woonplaats in Amsterdam heeft behouden. Hetzelfde geldt voor zijn, niet met stukken onderbouwde, stelling dat hij in Zutphen niet voor een bijstandsuitkering in aanmerking kwam.

4.2.5. Hetgeen onder 4.2.3 en 4.2.4 is overwogen, leidt de Raad tot het oordeel dat appellant ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB jegens het College geen recht had op bijstand. Het College was ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 15 augustus 2007 in te trekken, terwijl in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.2.6. Het voorgaande brengt tevens mee dat het College de door appellant op 1 december 2007 ingediende aanvraag om aanvullende bijstand terecht heeft afgewezen. De Raad komt tot de slotsom dat er aanleiding is te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit in stand blijven.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009 gegrond;

Vernietigt het besluit van 30 juni 2009, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand;

Bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C. van Viegen en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) M.A. van Amerongen.

IJ