Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
10-4936 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid hoger beroep. Tot standkoming uitspraak, na toevoeging nieuwe gedingstukken aan het dossier. Toereikend gemotiveerd dat de inkomsten uit arbeid noch de loonsuppletie, die strekt tot tijdelijke aanvulling van het verschil tussen de theoretische verdiencapaciteit en de praktische verdiensten, destijds zouden hebben geleid tot intrekking van de WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4936 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 juni 2008, 07/981 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V., gevestigd te Zwolle, hoger beroep ingesteld bij een op 27 augustus 2010 bij de Raad ingekomen beroepschrift.

In een brief van 7 september 2010 heeft de griffier van de Raad aan de rechtbank vragen gesteld over de verzending van de aangevallen uitspraak, welke vragen in een brief van 10 september 2010 zijn beantwoord.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De werknemer [naam werknemer] (de werknemer) heeft niet gereageerd op de hem bij brief van 11 april 2011 geboden gelegenheid om als partij aan het geding deel te nemen en aan te geven of hij al dan niet toestemming verleent om appellante inzage te geven in zijn medische gegevens.

Bij brief van 7 september 2011 heeft de gemachtigde van appellante de Raad ten aanzien van een aantal gedingstukken verzocht om bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke toestemming door de Raad bij brief van 15 september 2011 is gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2011. Appellante is - zoals op 4 november 2011 aangekondigd - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep overweegt de Raad dat een afschrift van de aangevallen uitspraak op 6 juni 2008 aan de gemachtigde van appellante is verzonden. Deze gemachtigde stelt dat hij het afschrift van de uitspraak destijds niet heeft ontvangen en dat hij eerst in het bezit is gekomen van het afschrift nadat dit - naar aanleiding van een op 5 juli 2010 gedaan schriftelijk verzoek - op 15 juli 2010 aan hem is verzonden. De rechtbank heeft desgevraagd medegedeeld dat een afschrift van de uitspraak destijds op 8 juni 2008 niet bij aangetekende brief aan de gemachtigde van appellante is verzonden.

1.2. Aangezien de verzending van het afschrift van de aangevallen uitspraak bij gewone brief van 8 juni 2008 niet in overeenstemming is te achten met artikel 8:37, eerste lid, van de Awb en er bovendien geen redenen zijn aan te nemen dat appellante die zending heeft ontvangen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de voor appellante voor het instellen van hoger beroep in achten te nemen termijn van 6 weken is aangevangen op 9 juni 2008.

1.3. Wel moet die termijn geacht worden te zijn aangevangen op 16 juli 2010, de dag na toezending van een afschrift van de uitspraak door de rechtbank aan de gemachtigde van appellante op zijn schriftelijk verzoek van 5 juli 2010. Nu het hoger beroepschrift op 26 augustus 2010 is gedateerd en op 27 augustus 2010 bij de Raad is ontvangen, concludeert de Raad dat appellante tijdig hoger beroep heeft ingesteld.

2.1. Voorts ziet de Raad aanleiding ambtshalve te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 30 januari 2008 is met partijen afgesproken dat het Uwv bepaalde stukken binnen twee weken na die zitting aan de rechtbank zou doen toekomen. Voorts vermeldt dit proces-verbaal dat de rechtbank, na ontvangst van die stukken, partijen zal verzoeken om toestemming voor afdoening van het beroep buiten zitting, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. Bij brief van 14 april 2008 heeft appellante toestemming gegeven voor het achterwege laten van een vervolgzitting.

Bij brief van 17 april 2008 heeft het Uwv nog gereageerd op een eerder door appellante op 18 maart 2008 ingezonden reactie en eveneens toestemming gegeven tot achterwege laten van een nadere zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.

2.2. De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het beroep in strijd is met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb. De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie ter zake, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. Dit laatste is in het onderhavige geval niet gebeurd. De rechtbank heeft na toevoeging van de hiervoor genoemde brief van 17 april 2008 aan de gedingstukken appellante niet opnieuw om toestemming als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb verzocht, terwijl een dergelijke toestemming ook anderszins niet is gegeven. Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.

3. Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het geschil tussen partijen overweegt de Raad als volgt.

3.1. Op 17 december 2002 is de werknemer wegens ziekte voor zijn werkzaamheden in dienst van appellante uitgevallen. Het Uwv heeft bij besluit van 26 april 2004 de werknemer met ingang van 16 december 2003 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellante is hiertegen niet opgekomen.

3.2. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het Uwv de werknemer met ingang van 18 juli 2006 minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht en zijn WAO-uitkering per laatstgenoemde datum ingetrokken.

3.3. Appellante heeft tegen het besluit van 18 mei 2006 bezwaar gemaakt.

3.4. Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 15 mei 2007 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard..

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1.1. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen. In de eerste plaats is appellante van mening dat de rechtbank haar gemachtigde ten onrechte bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb heeft onthouden.

4.1.2. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante geen belang meer bij deze grond. De aangevallen uitspraak komt reeds op een andere grond voor vernietiging in aanmerking (zie overweging 2.2). Voorts heeft de Raad hierbij in aanmerking genomen dat de betreffende stukken in bezwaar al door het Uwv in het bezit van de gemachtigde van appellante zijn gesteld en dat die gemachtigde bedoelde bijzondere toestemming alsnog van de Raad heeft gekregen.

4.2.1. Verder heeft appellante aangevoerd dat het Uwv bij het bestreden besluit de financiële belangen van appellante onvoldoende heeft afgewogen. Indien eerder tot herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer was overgegaan, was de WAO-uitkering eerder beëindigd. Bovendien heeft het Uwv de herbeoordeling onvoldoende voortvarend aangepakt en heeft deze te lang geduurd, waardoor appellante onnodige financiële schade heeft geleden.

4.2.2. Deze gronden falen. De Raad verwijst naar overweging 4.4 van zijn tussen partijen gegeven uitspraak van 26 februari 2010 (LJN BL6033). In genoemde overweging heeft de Raad - om redenen van proceseconomie - reeds uitvoerig gemotiveerd waarom deze gronden, toen naar voren gebracht in het kader van een procedure over het verhaalsbesluit van 31 januari 2007 en het daarover door de rechtbank op 17 oktober 2007 gegeven oordeel, vruchteloos zijn voorgedragen. Deze overweging wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

4.3.1. Ten slotte heeft appellante volhard in haar stelling dat het Uwv de WAO-uitkering van de werknemer op een eerder tijdstip had moeten intrekken. Appellante heeft er op gewezen dat de werknemer van augustus 2003 tot september 2004 gedurende een dag per week een opleiding heeft gevolgd en dat hij daarnaast vanaf januari 2004 elders is gaan werken, aanvankelijk gedurende 36 uur per week en later 40 uur per week. Tevens heeft appellante erop gewezen dat de werknemer loonsuppletie heeft genoten, zodat samen met de inkomsten uit arbeid geen sprake is van loonderving en ten onrechte WAO-uitkering is verstrekt.

4.3.2. Ook hierin kan de Raad appellante niet volgen. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat het Uwv in de brief van 30 januari 2008 (met bijlagen), nader toegelicht bij brief van 26 februari 2008, toereikend heeft gemotiveerd dat de betreffende inkomsten uit arbeid noch de loonsuppletie, die strekt tot tijdelijke aanvulling van het verschil tussen de theoretische verdiencapaciteit en de praktische verdiensten, destijds zouden hebben geleid tot intrekking van de WAO-uitkering op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% was. De inhoud van de brief van appellante van 18 maart 2008 leidt niet tot een ander oordeel.

4.4. Uit de overwegingen 2.1, 2.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen verklaart de Raad, gelet op de overwegingen 3.1 tot en met 4.3.2, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

5. Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 437,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 448,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM