Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
10-6269 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening toeslag voor een één-oudergezin. Terugvordering. Appellante had in de hier aan de orde zijnde periode een partner, zodat zij niet voldeed aan de voorwaarden. Het begrip echtgenoot is niet beperkt tot de naar Nederlands recht erkende echtgenoot. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Omdat nimmer echtelijke samenleving heeft plaatsgevonden, kan van verbreking van die samenleving geen sprake kan zijn. De beschikbare gegevens wijzen erop dat in de hier aan de orde zijnde periode sprake is van een gewilde doch niet te realiseren gezinshereniging. Het pas in de beroepsfase door appellante ingenomen standpunt ingenomen dat ze al in 2004 haar pogingen tot gezinshereniging heeft opgegeven en vanaf dat moment niet meer samen met haar echtgenoot wilde leven is onvoldoende om de eerder afgelegde verklaringen te passeren. De Minister heeft in redelijkheid van zijn herzieningsbevoegdheid gebruik kunnen maken. De door appellante gegeven onjuiste invulling aan het begrip duurzaam gescheiden leven komt voor haar risico en rekening. Terugvordering van de teveel verstrekte toelage is dwingendrechtelijk voorgeschreven. Met de door appellante gestelde financiële situatie zal door de Minister rekening moeten worden gehouden bij de invordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6269 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 oktober 2010, 10/516 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 14 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Tegelen, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. De Minister was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.

II. OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

2. Bij besluit op bezwaar van 18 maart 2010 heeft de Minister gehandhaafd zijn besluiten van 5 december 2009, waarbij is vastgesteld dat appellante over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2009 ten onrechte een toeslag voor een één-oudergezin heeft ontvangen en dat deze toeslag wordt teruggevorderd. Dit besluit rust, kort gesteld, op de overweging dat appellante niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) omdat geconstateerd is dat zij een partner heeft in de zin van artikel 1.1 van de Wsf 2000 en artikel 3, eerste lid, onder a, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Gebleken is dat appellante vanaf 28 januari 2004 is gehuwd en zij leefde volgens de Minister niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot. De herziening over de jaren 2006 en 2007 is gegrond op artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. De herziening vanaf 2008 berust op artikel 7.1, tweede lid, onder c, van de Wsf 2000.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 18 maart 2010 ongegrond verklaard.

4. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak.

Evenals in beroep heeft appellante primair gesteld dat niet wordt voldaan aan het partnerbegrip ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 jo. artikel 3 van de Awir. Appellante stelt dat het tussen haar en de heer [S.] in Syrië gesloten huwelijk niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.

Voorts stelt appellante dat sprake is van duurzaam gescheiden leven. Appellante en haar echtgenoot hebben vanaf de huwelijksvoltrekking nimmer samengewoond, ieder leidt afzonderlijk zijn eigen leven als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand is door hen beiden, althans door een van hen, als bestendig bedoeld. In dit verband is naar voren gebracht dat appellante al in de loop van 2004 is gestopt met pogingen tot gezinshereniging en ze zich voor aanvang van de studie in 2005 er bij neer heeft gelegd dat zij haar echtgenoot niet naar Nederland kon krijgen om hier samen met hun kinderen een gezin te vormen. Verder is naar voren gebracht dat geen sprake is van een gezinsleven en er geen financiële verstrengeling is noch op andere wijze sprake is van zorg voor elkaar.

Subsidiair heeft appellante het standpunt ingenomen dat van terugvordering moet worden afgezien omdat haar geen verwijt treft nu ze in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van duurzaam gescheiden leven, en voorts omdat ze een inkomen op bijstandsniveau heeft.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wsf 2000, wordt aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, een toeslag voor een één-oudergezin toegekend.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt verstaan onder partner: partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir. Artikel 3, eerste lid, onder a, van de Awir bepaalt dat partner van de belanghebbende is de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner.

Ingevolge artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 vindt herziening plaats op grond van het feit dat een beschikking genomen is waarvan de studerende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was.

Ingevolge artikel 7.1, tweede lid, onder c, van de Wsf 2000 vindt - voor zover hier van belang - herziening plaats op grond van het feit dat teveel studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

Ingevolge artikel 7.4 van de Wsf 2000 dient de teveel betaalde studiefinanciering te worden terugbetaald.

5.2. De Raad leidt uit de gedingstukken af dat appellante op 28 januari 2004 is gehuwd met [S.] en dit huwelijk in de hier aan de orde zijnde periode is blijven voortbestaan. De stelling dat dit huwelijk in het buitenland (mogelijk) niet rechtsgeldig tot stand is gekomen treft geen doel. Nog daargelaten dat in de GBA het huwelijk als betrouwbaar is geregistreerd, volgt uit de rechtspraak van de Raad dat het begrip echtgenoot in de zin van artikel 3, eerste lid, onder a, van de AWIR niet is beperkt tot de naar Nederlands recht erkende echtgenoot. De Raad wijst op zijn uitspraak van 20 augustus 2010, LJN BN4847.

5.3. In vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 7 juli 1992, LJN AK9675 en 8 juli 2011, LJN BR1092, wordt aangesloten bij de uitleg die de Hoge Raad aan het begrip duurzaam gescheiden leven in zijn vaste rechtspraak heeft gegeven. Er wordt gesproken van duurzaam gescheiden levende echtgenoten indien 1. het een door beiden, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door tenminste één van hen als bestendig is bedoeld; dan wel indien 2. de echtelijke samenleving is verbroken doordat een door geen van beiden gewilde toestand is ingetreden, welke voor de voorzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt, terwijl redelijkerwijze niet valt te verwachten, dat in die toestand binnen afzienbare tijd een wijziging zal komen, welke de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenleving zou openen.

5.3.1. De Raad stelt vast dat niet is voldaan aan het hiervoor in 5.3 onder 2 geformuleerde criterium. Dit reeds omdat nimmer echtelijke samenleving heeft plaatsgevonden, zodat van verbreking van die samenleving geen sprake kan zijn.

5.3.2. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat in dit geval ook niet is voldaan aan het hiervoor in 5.3 onder 1 geformuleerde criterium.

Appellante en haar echtgenoot hebben vanaf de huwelijksvoltrekking nimmer samengeleefd doch van feiten of omstandigheden, waaruit ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat vanaf de huwelijksdatum niet de intentie tot samenleving heeft bestaan, is niet gebleken noch is gebleken dat die intentie vanaf een later moment in de hier aan de orde zijnde periode ontbrak. De Raad is van oordeel dat de beschikbare gegevens erop wijzen dat in de hier aan de orde zijnde periode sprake is van een gewilde doch niet te realiseren gezinshereniging in Nederland omdat appellante zelf onvoldoende inkomen had en/of de echtgenoot geen Europees paspoort heeft. De Raad wijst op de verklaringen van appellante in de brieven van 5 mei 2009 en 13 februari 2010 waarin zij spreekt van haar partner, hetgeen op de aanwezigheid van een band duidt, en het zich neerleggen bij een helaas niet gelukte gezinshereniging in Nederland. Pas in de beroepsfase heeft appellante het standpunt ingenomen dat ze al in 2004 haar pogingen tot gezinshereniging heeft opgegeven en vanaf dat moment niet meer samen met haar echtgenoot wilde leven. De Raad is van oordeel dat deze nadere standpuntbepaling onvoldoende is om de eerder afgelegde verklaringen te passeren. Appellante heeft verder haar stelling dat ze al enige tijd bezig is met het regelen van een echtscheiding op geen enkele wijze onderbouwd. De door appellante aangedragen argumenten van geen gezamenlijke huishouding, geen financiële band en geen family life vormen ten slotte geen onderscheidend criterium voor duurzaam gescheiden leven.

5.4. Hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.2 tot en met 5.3.2 leidt tot de conclusie dat de Minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante in de hier aan de orde zijnde periode een partner had in de zin van artikel 1.1 van de Wsf 2000, zodat zij niet voldeed aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3.5, eerste lid, van de Wsf 2000.

5.5. De Raad overweegt vervolgens dat de Minister in redelijkheid van zijn herzieningsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De herziening op grond van artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 houdt stand omdat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij een partner had als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Awir. De door appellante gegeven onjuiste invulling aan het begrip duurzaam gescheiden leven komt voor haar risico en rekening. De afwezigheid van verwijtbaarheid speelt voorts geen rol bij de uitoefening van de bevoegdheid tot herziening op grond van artikel 7.1, tweede lid, onder c, van de Wsf 2000.

5.6. De Raad overweegt ten slotte dat terugvordering van de teveel verstrekte toelage dwingendrechtelijk is voorgeschreven in artikel 7.4 van de Wsf 2000. Met de door appellante gestelde financiële situatie zal door de Minister rekening moeten worden gehouden bij de invordering. In dat kader heeft de schuldenaar de bescherming van de regels omtrent de beslagvrije voet zoals neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5.7. Uit het vorenstaande volgt dat de gronden van het hoger beroep niet tot het oordeel kunnen leiden dat de rechtbank ten onrechte het beroep van appellante tegen het besluit van 18 maart 2010 ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.R. Baas.

TM