Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
10-2622 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft reeds beslist over de gemaakte kosten in beroep. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor vergoeding van omzetschade bestaat geen ruimte. Dit zijn kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken, waarvoor artikel 8:75 van de Awb een specifieke regeling kent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2622 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:73a en artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 april 2010, 09/902

(aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft op 18 mei 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 25 juli 2011 heeft mr. Klinkert namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en schadevergoeding.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 mei 2011 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoet gekomen.

Wat betreft de kosten van verleende rechtsbijstand merkt de Raad op dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds ten aanzien van de kosten in verband met de procedure in beroep heeft beslist. Het Uwv heeft in de nieuwe beslissing op bezwaar van 18 mei 2011 de proceskosten niet betrokken zodat thans de in bezwaar en in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

De schade die appellante op grond van artikel 8:73 van de Awb vergoed wil zien bestaat uit omzetschade ten gevolge van het besteden van 46,5 uur à € 110,-- aan deze zaak. Ook dit zijn kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken, waarvoor artikel 8:75 van de Awb een specifieke regeling kent. Voor vergoeding van deze kosten op grond van artikel 8:73 van de Awb bestaat dan ook geen ruimte.

Voor het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1081,--.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van

A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

IvR