Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8767

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10-5965 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering te veel betaalde uitkering wegens nadere vaststelling periodieke uitkering in verband met pensioeninkomsten. Verweerder heeft de grondslag dat de onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beslissing ten grondslag gelegde feiten is te wijten aan opzet dan wel grove nalatigheid van betrokkene mogen hanteren. Verweerder was daardoor gerechtigd de te veel betaalde uitkering van appellante bruto terug te vorderen. Nu het bij het bestreden besluit teruggevorderde bedrag echter te hoog is vastgesteld, komt het besluit voor vernietiging in aanmerking en wordt het beroep in zoverre gegrond verklaard. De Raad stelt het terug te vorderen bedrag zelf vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5965 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 15 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 september 2010, kenmerk BZ01182560, verder: bestreden besluit. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door haar [echtgenoot]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1945, is in 1994 gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wuv. Met ingang van 1 januari 1994 is haar op grond van die wet een periodieke uitkering toegekend. Verder zijn enkele voorzieningen verleend.

1.2. Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder de periodieke uitkering op grond van de Wuv van appellante met ingang van 1 januari 2009 nader vastgesteld op € 651,04 per maand in verband met haar pensioeninkomsten. Bij besluit van 20 april 2010 is een bedrag van € 4.391,62 aan over de periode van 1 mei 2009 tot 1 april 2010 te veel betaalde uitkering van appellante teruggevorderd. Het tegen die terugvordering gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Allereerst stelt de Raad vast dat verweerder hangende de behandeling van het beroep een nader standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de hoogte van het over genoemde periode te veel betaalde bedrag. Dit bedrag is bijgesteld naar € 4.038,43.

2.2. Niet in geschil is dat verweerder te veel Wuv-uitkering aan appellante heeft betaald in genoemde periode en het thans bijgestelde bedrag is door appellante op zich ook niet bestreden. Appellante is met name gekwetst door de grondslag van de terugvordering, namelijk grove nalatigheid in de zin van artikel 61a van de Wuv. Zij stelt al in maart 2009 via de post een bericht aan verweerder te hebben gestuurd over de toekenning van pensioen door Euretco en dus aan haar verplichting om dit te melden te hebben voldaan. Verder vindt appellante het onterecht dat het te veel betaalde bedrag bruto wordt teruggevorderd en is zij van mening dat verweerder te veel stukken aan de Raad heeft overgelegd.

2.3. Verweerder heeft die melding van appellante niet ontvangen en heeft pas via een door appellante ingediende “financiële vragenlijst 65+” in maart 2010 kennis genomen van de pensioeninkomsten van appellante. Vanaf 1 maart 2010 is het bedrag aan uitkering op grond van de Wuv opnieuw aangepast naar € 289,16 per maand.

2.4. De in geding zijnde terugvordering is gebaseerd op artikel 61a, aanhef en onder a, van de Wuv, op grond waarvan het ten onrechte uitbetaalde aan periodieke uitkering kan worden teruggevorderd wanneer de onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beslissing ten grondslag gelegde feiten is te wijten aan opzet dan wel grove nalatigheid van betrokkene. Deze grondslag heeft verweerder hier naar het oordeel van de Raad mogen hanteren. Op grond van artikel 40 van de Wuv is de uitkeringsgerechtigde verplicht onverwijld aan verweerder mededeling te doen van elke verandering en van feiten en omstandigheden die tot intrekking of verlaging van de uitkering aanleiding kunnen geven. Dat verweerder de per post gedane melding van appellante niet heeft ontvangen, moet in dit geval voor risico van appellante komen, nu de melding niet aangetekend was verstuurd. Ook naar aanleiding van de doorgaande, ongewijzigde betaling van de uitkering heeft appellante niet bij verweerder navraag gedaan. Ook al is dit niet zo bedoeld, er is sprake van het niet (voldoende) nakomen van de inlichtingenverplichting en dit kan worden gekwalificeerd als grove nalatigheid in de zin van genoemd wetsartikel.

2.5. Het vorenstaande brengt mee dat verweerder gerechtigd was de te veel betaalde uitkering van appellante bruto terug te vorderen. Nu het bij het bestreden besluit teruggevorderde bedrag echter te hoog is vastgesteld, zoals onder 2.1 is vermeld, komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking en wordt het beroep in zoverre gegrond verklaard. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het terug te vorderen bedrag zelf vaststellen op € 4.038,43.

2.6. Met betrekking tot de grief van appellante over de ten behoeve van de behandeling van dit beroep overgelegde stukken overweegt de Raad dat verweerder op grond van artikel 8:42 van de Awb verplicht is alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De door verweerder in dit geding overgelegde stukken behoren daar zeker toe.

3. In het voorgaande vindt de Raad aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 17,40 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van verweerder van 29 september 2010, voor zover daarbij het bedrag van de terugvordering is vastgesteld op € 4.391,62;

Stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 4.038,43;

Bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van

€ 17,40.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

S. Werensteijn.

De griffier is buiten staat te tekenen.

HD