Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8645

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10-6818 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking WAO-uitkering. Het bestreden besluit berust op een onvoldoende medische grondslag. Nieuw medisch onderzoek in Marokko dan wel in Nederland, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage, is noodzakelijk om het bestreden besluit nader te onderbouwen dan wel een nader besluit te nemen. Het ligt daarbij voor de hand dat appellant wordt onderzocht door een psychiater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6818 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2010, 09/5602 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2011. Voor appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan zijn uitspraak van 16 april 2009, LJN BI3426, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, die afkomstig is uit Marokko, is op 25 november 1993 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als tomatenplukker. Aan hem is een uitkering toegekend ingevolge de Ziektewet. Met ingang van 6 juni 1994 is appellant hersteld verklaard. De weigering van ziekengeld per die datum is vernietigd bij uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 oktober 1996, 94/2300. Het Uwv heeft in die uitspraak berust. Vervolgens is aan appellant alsnog over de periode van 6 juni 1994 tot 24 november 1994 ziekengeld toegekend. Appellant was inmiddels in 1996 naar Marokko teruggekeerd.

1.2. Op 23 juni 1997 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Deze is hem in december 1999 nabetaald en daarna feitelijk maandelijks uitbetaald.

1.3. Door het Uwv is een onderzoek gestart naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 24 november 1994. Na medisch onderzoek in Marokko is rapport uitgebracht door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Nadat aan appellant bij brief van 17 september 2001 was medegedeeld dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht, heeft het Uwv bij besluit van 3 oktober 2001 geweigerd appellant met ingang van 24 november 1994 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen. Daarbij is medegedeeld dat op gronden van zorgvuldigheid de betalingen zullen worden gestopt per 25 maart 2002.

1.4. Appellants bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2001 is door het Uwv bij besluit van 20 december 2001 niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat het bezwaarschrift geen gronden bevatte als bedoeld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5. Op 23 januari 2002 heeft de gemachtigde van appellant verzocht om een beoordeling van appellants arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet Amber. Daarbij is een aantal medische stukken ingezonden, waaruit volgens de gemachtigde blijkt dat appellant op 18 januari 2002 met een acute verslechtering van zijn klachten is opgenomen dan wel onder behandeling is gekomen van een psychiater.

1.6. Bij uitspraak van 30 augustus 2002, 02/211, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 december 2002 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is vernietigd door de Raad bij uitspraak van 24 december 2004, LJN AS3233, omdat het bezwaarschrift naar het oordeel van de Raad wel een concrete grond als bedoeld in artikel 6:5 van de Awb bevatte.

1.7. Bij besluit van 15 november 2005 heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2001 ongegrond verklaard. Appellants beroep daartegen is door de rechtbank bij uitspraak van 26 juli 2006, 05/2970, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bij de onder 1 genoemde uitspraak van 16 april 2009 vernietigd op de grond dat aan appellant feitelijk een WAO-uitkering was uitbetaald en aan appellant op geen enkele wijze kenbaar was gemaakt dat het hier een voorschot zou betreffen. De weigering van een WAO-uitkering per 24 november 1994 was naar het oordeel van de Raad in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad overwoog daarbij dat het Uwv de uitkering van appellant niet eerder dan met ingang van 24 maart 2002 zou kunnen beëindigen en dat gezien de mogelijke verslechtering van zijn gezondheidstoestand daartoe nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek diende plaats te vinden. Voorts is bij deze uitspraak ten laste van het Uwv een schadevergoeding toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.1. In het kader van het nieuwe onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek inlichtingen gevraagd van appellants behandelend artsen in Marokko. Zij heeft aan de hand van de gegevens uit het dossier en de verkregen inlichtingen op 11 oktober 2009 rapport uitgebracht en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Op 23 november 2009 heeft zij haar rapport aangevuld naar aanleiding van nagekomen inlichtingen van appellants behandelend psychiater.

2.2. Vervolgens is rapport uitgebracht door de bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellant met inachtneming van de voor hem geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid op 25 maart 2002 functies kan verrichten waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat geen sprake is van relevante arbeidsongeschiktheid.

2.3. Bij het thans bestreden besluit van 30 november 2009 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 24 november 1994 een uitkering ingevolge - voor zover hier van belang - de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en deze uitkering met ingang van 25 maart 2002 ingetrokken.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In het kader van de onder 1.1 genoemde procedure bij de rechtbank omtrent de weigering van ziekengeld is appellant onderzocht door de psychiater R.V. Schwartz. Deze kwam in zijn rapport van 15 juni 1995 tot het oordeel dat appellant in verband met een dysthyme stoornis op 6 juni 1994 niet in staat was zijn arbeid als tomatenplukker volledig te verrichten.

4.2. Nadat het ziekengeld alsnog over de gehele periode van een jaar was toegekend en appellant een uitkering op grond van de WAO had aangevraagd, is het dossier geruime tijd zoek geweest. Op 12 april 2000 heeft het Uwv zich tot de Nederlandse Ambassade in Marokko gewend met het verzoek een medisch onderzoek naar de toestand van appellant te bevorderen. Daarbij is opgemerkt dat naast een onderzoek door een algemeen arts waarschijnlijk tevens onderzoek door een psychiater nodig was. Op 20 maart 2001 is rapport uitgebracht door de algemeen arts F. Lamouri en de psychiater dr. S. Badri George. Laatstgenoemde merkt op dat appellant tekenen van anxiodepressieve decompensatie vertoont. Het rapport van de psychiater Badri George bevat evenwel zo weinig relevante gegevens, dat partijen het erover eens zijn en ook de Raad van mening is dat dit rapport onvoldoende is om aan de vaststelling van een FML ten grondslag te worden gelegd.

4.3. Bij het onderzoek van appellant door de arts Lamouri in maart 2001 was de Nederlandse verzekeringsarts J. van Oort aanwezig. Hij heeft omtrent zijn bevindingen op 29 mei 2001 rapport uitgebracht. Naar zijn mening was de passieve houding van appellant slechts een pose. Hij achtte op psychisch gebied wel enige beperkingen aanwezig, maar deze waren naar zijn oordeel slechts beperkt. Deze beperkingen golden volgens het rapport van Van Oort ‘voor nu en per einde wachttijd’. Deze rapportage heeft ten grondslag gelegen aan het onder 1.3 genoemde besluit van 3 oktober 2001.

4.4. Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2001 is op 1 november 2005 rapport uitgebracht door de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer. Deze beschikte over inlichtingen van appellants behandelend psychiater, cardioloog, kno-arts en gastro-enteroloog van eind 2001/begin 2002. De verklaring van de psychiater dr. S. Benslimane van 18 januari 2002 luidt - in de Nederlandse vertaling - als volgt.

“Hierbij verklaar ik dat de heer [appellant] bij ons onder behandeling is sinds 07-06-96 voor chronische angstig-depressieve klachten op een psychotische ondergrond. Momenteel is er sprake van een exacerbatie van zijn stoornissen, met grote angst, psychische en fysieke asthenie en woedeaanvallen, geweld met bizar gedrag en psychische en affectieve labiliteit. Op grond van zijn stoornissen kan zijn blijvende arbeidsongeschiktheid worden geschat op 85%. Hij heeft op grond van zijn huidige toestand intensieve behandeling en verzorging nodig, zodat hij niet mag werken.”.

In zijn rapport van 1 november 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts Cramer het volgende overwogen.

“Opgemerkt moet worden dat de informatie van de behandelaars zeer summier is. Gemachtigde heeft aangegeven dat de rapportage van de psychiater in Marokko die betrokken was bij de beoordeling te summier was onder verwijzing naar de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege. Dat ben ik met gemachtigde eens, maar anders dan in de casuïstiek die speelde bij het Medisch Tuchtcollege is dat betrokkene door de primaire verzekeringsarts zelf gezien is in Marokko zelf. Hij heeft zich dus een eigen oordeel kunnen vormen over betrokkene. Voorts is anders dat in betreffende zaken sprake was van een persoon met een al jarenlang bestaande uitkering en dat is hier niet het geval. Daarbij komt dat de rapportage van de psychiater van hooguit aanvullende waarde kon zijn voor de gevalsbehandeling omdat datum in geding 24-11-1994 is. De rapportage van collega Schwarz, deskundige van de Rechtbank heeft dus voor de gevalsbehandeling meer waarde. Nader onderzoek in Nederland of Marokko, ook al zou dat wellicht wenselijk zijn, heeft evenmin zin nu de medische toestand kennelijk verslechterd is waardoor er niet meer duidelijkheid kan ontstaan over einde wachttijd. Het oordeel is dus overwegend gebaseerd op het oordeel van de primaire verzekeringsarts en de psychiater Schwarz. Duidelijk is daarbij dat er destijds sprake was van een stemmingsstoornis, maar dat er geen sprake was van een psychose of ander zeer ernstig psychiatrisch ziektebeeld. De stemming is evenmin zeer verstoord volgens de psychiater (aan de gedrukte kant, maar niet apert somber) en duidelijk is ook dat een belangrijk deel van de problematiek gelegen is in niet medische aspecten maar sociale aspecten zoals huisvesting en illegaliteit.

Ten aanzien van psychische beperkingen ben ik van mening dat er meer beperkingen zijn dan aangenomen. Er is toch een stemmingsstoornis zodat er toch beperkingen zullen zijn ten aanzien van tijdsdruk en omgaan met conflicten, alsmede leidinggevende aspecten. Het FIS-scoreformulier is om die reden aangepast. Daarbij zij opgemerkt dat het om een nuancering gaat. Gelet op het feit dat de primaire verzekeringsarts betrokkene in persoon gezien heeft en gelet op het ziektebeeld is het niet erg waarschijnlijk dat de belastbaarheid toen veel meer beperkt was dan ten tijde van de beoordeling in Marokko.”.

4.5. Na meergenoemde uitspraak van de Raad van 16 april 2009 heeft nieuw onderzoek plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts Koek. In haar rapport van 11 oktober 2009 overweegt zij ten aanzien van de psychische klachten van appellant:

“Uit de verklaring van de psychiater van januari 2002 wordt wel geschreven dat er sprake is van een toename van klachten, maar dit wordt niet ondersteund met bevindingen bij onderzoek, feiten en/of intensievere of gewijzigde behandeling. Bovendien geeft betrokkene in 2006 ook zelf nog aan dat de klachten niet zijn gewijzigd. Ook rechtstreekse vraagstelling aan de psychiater om nadere onderbouwing te verkrijgen van zijn standpunt wordt ondanks rappel niet verkregen. Er zijn dan ook geen medische feiten die de verslechtering doen onderbouwen. De beperkingen die zijn aangenomen op grond van de bevindingen in maart 2001 zijn dan ook van toepassing op 24 maart 2002.”.

De conclusie van het rapport luidt:

“Geconcludeerd moet dan ook worden dat feitelijk medische gegevens ontbreken om aannemelijk te maken dat er vanaf 23 januari 2002 en dus ook op 24 maart 2002 sprake is van een verslechterde gezondheidstoestand ten opzichte van de eerdere beoordeling. De beperkingen die zijn opgesteld in maart 2001 en van toepassing waren op 24 november 1994 zijn ook op 24 maart 2002 nog van toepassing.”.

4.6. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de intrekking van een lopende WAO-uitkering. Dit brengt mee dat het op de weg van het Uwv ligt aan te tonen dat appellant op de in geding zijnde datum, 25 maart 2002, in staat was arbeid te verrichten en daarmee een zodanig inkomen te verdienen dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

4.7. De Raad stelt vast dat het Uwv beschikte over het in 1995 omtrent appellant uitgebrachte rapport van de psychiater Schwartz, die appellant op 6 juni 1994 ongeschikt bevond voor zijn arbeid als tomatenplukker. Vervolgens achtte het Uwv in 2000 psychiatrisch onderzoek noodzakelijk, dat in 2001 werd uitgevoerd door de psychiater Badri George. Zoals onder 4.2 is overwogen, is diens rapport onvoldoende om als basis voor besluitvorming te kunnen dienen. Aan het in 2001 opgestelde FML ligt dan ook hoofdzakelijk het oordeel van de verzekeringsarts Van Oort ten grondslag. Deze is evenwel geen psychiater en zag appellant bovendien voordat volgens de gegevens van appellants behandelend psychiater in januari 2002 een verslechtering van zijn gezondheidstoestand optrad. Ten slotte is van belang dat de destijds door Van Oort opgestelde FML zag op de datum 25 november 1994. Dit laatste is voor de bezwaarverzekeringsarts Cramer aanleiding geweest in die FML slechts beperkte wijzigingen op te nemen. Daarbij is overwogen dat nader onderzoek, ook al zou dat wellicht wenselijk zijn, geen zin had, nu de medische toestand van appellant kennelijk was verslechterd.

4.8. Bij het nadere onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Koek in 2009 lijkt met name centraal te hebben gestaan of ten opzichte van de beoordeling in 2001 een verslechtering was opgetreden. Gesproken wordt over het ‘onderbouwen’ en ‘aannemelijk maken’ van een verslechtering van appellants gezondheidstoestand. Daarbij is niet onderkend dat ten behoeve van de onder 4.6 omschreven beoordeling de gezondheidstoestand van appellant op 25 maart 2002 in haar geheel in ogenschouw diende te worden genomen. De Raad merkt daarbij op dat het door het Uwv in 2000 noodzakelijk geachte nieuwe psychiatrische onderzoek, noch het door de bezwaarverzekeringsarts Cramer in 2005 wenselijk geachte nadere onderzoek van appellant (op de juiste wijze) heeft plaatsgevonden.

4.9. Het onder 4.6 tot en met 4.8 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit op een onvoldoende medische grondslag berust. Nieuw medisch onderzoek in Marokko dan wel in Nederland, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage, is noodzakelijk om het bestreden besluit nader te onderbouwen dan wel een nader besluit te nemen. De Raad merkt daarbij op dat het voor de hand ligt dat appellant daarbij wordt onderzocht door een psychiater.

4.10. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het hiervoor gesignaleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hij merkt daarbij nog het volgende op. Volgens mededeling van de gemachtigde van appellant is het in Marokko niet gebruikelijk dat een behandelend arts een dossier van zijn patiënten bijhoudt en berusten de gegevens onder de patiënt zelf. Indien appellant zelf over gegevens omtrent zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang beschikt, ligt het daarom op zijn weg deze aan een beoordelend arts desgevraagd ter beschikking te stellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zesentwintig weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K. de Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) K. de Haan.

KR