Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
09-4641 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Beroep van appellante op de zogenoemde zes-maanden-jurisprudentie faalt. Redelijke termijn, art. 6 EVRM, is niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4641 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 augustus 2009, 09/832 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. ing. W.T. van der Leij hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. ing. Van der Leij. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Inia, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het navolgende.

1.1. Appellante ontving sinds 21 september 1990 een bijstand, laatstelijk ingevolge de WWB, naar de norm voor een alleenstaande. De vader van appellante is op 6 januari 2006 overleden. Op 9 augustus 2006 ontving appellante een bedrag van € 47.638,49 uit de nalatenschap van haar vader. Nadat appellante hiervan op 11 augustus 2006 per brief aan het College mededeling had gedaan, heeft het College met ingang van 1 augustus 2006 de uitbetaling van de bijstand stopgezet, zonder daaraan een schriftelijk besluit ten grondslag te leggen. Op 19 september 2006 heeft appellante per brief aan het College gevraagd om te wachten met de definitieve eindafwikkeling van de nalatenschap totdat de nalatenschap geheel is afgewikkeld. Bij brief van 17 januari 2008 heeft appellant aan het College meegedeeld dat zij na afwikkeling van de nalatenschap op 3 januari 2009 een bedrag van € 4.285,-- had ontvangen. Appellante heeft dus in totaal een bedrag van € 51.923,49 als haar erfdeel ontvangen.

1.2. Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 6 januari 2006 ingetrokken op de grond dat appellante op die datum is gaan beschikken over een groter vermogen dan kan worden vrijgelaten. Voorts heeft het College de over de periode van 6 januari 2006 tot en met 31 juli 2007 gemaakte kosten van bijstand van € 6.141,33 van appellante teruggevorderd. Nadat appellante per e-mail van 27 oktober 2008 aan wethouder Florijn op deze terugvordering had gereageerd, heeft het College het terug te vorderen bedrag bij besluit van 11 november 2008 verlaagd tot een bedrag van € 3.070,66.

1.3. Bij besluit van 10 maart 2009, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar gericht tegen de stopzetting van de bijstand per 1 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar gericht tegen de besluiten van 20 oktober 2008 en 11 november 2008 tot intrekking en terugvordering van de bijstand ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met een bepaling inzake proceskosten en griffierecht - het beroep van appellante tegen het besluit van 10 maart 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover daarbij is afgezien van het toekennen van een vergoeding voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2008.

3. Appellante heeft in hoger beroep (samengevat) aangevoerd dat van terugvordering had moet worden afgezien omdat het College te lang heeft gewacht met het nemen van een (primair) besluit tot terugvordering. Appellante betoogt dat bij een eerdere vaststelling door het College van de hoogte van het bedrag van terugvordering, het voor haar duidelijk zou zijn geweest op welk moment zij opnieuw bijstand diende aan te vragen. Zij had dan kunnen bepalen welk bedrag aan vrij te laten vermogen zij voor die aanvraag had kunnen aanhouden. Met de halvering van het terugvorderingsbedrag is onvoldoende rekening gehouden met appellante, aangezien zij door een verhuizing kosten heeft moeten maken. Ook heeft de betreffende verhuizing veel spanning opgeleverd. Appellante heeft verder een beroep op de zogenoemde zes-maanden-jurisprudentie gedaan en daarbij een ruimere uitleg van die rechtspraak bepleit. Tot slot voert appellante aan dat door de lange duur van de procedure in hoger beroep de redelijke termijn overschreden als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat het College bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 6 januari 2006 tot en met 31 juli 2006 van appellante terug te vorderen. De Raad stelt vast dat thans uitsluitend in geschil is de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt.

4.2. Het College voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.3. Het College erkent lang gewacht te hebben met het besluit tot terugvordering, maar voert aan dat de erfenis van appellante moest worden afgewikkeld. De Raad merkt hierover op dat het College reeds na de overmaking op 9 augustus 2006 had kunnen overgaan tot vaststelling van het bedrag van de terugvordering over de periode van 6 januari 2006 tot 1 augustus 2006. De afwikkeling van de erfenis en de definitieve vaststelling van appellantes erfdeel was in dit geval immers niet nodig om de hoogte van de terugvordering te bepalen. Dat het College in de periode tot aan de voltooiing van de afwikkeling van de erfenis op 3 januari 2008 heeft gehandeld overeenkomstig de wens van appellante, doet hier niet aan af. De Raad stelt overigens vast dat het bedrag van de terugvordering door dit tijdsverloop niet hoger is geworden dan het zou zijn geweest indien al in augustus 2006 tot terugvordering zou zijn besloten.

4.4. De Raad is van oordeel dat appellante uit het stilzitten van het College in de periode tussen 3 januari 2008 en het eerste besluit van 20 oktober 2008 tot vaststelling van het bedrag van de terugvordering niet de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat niet meer tot terugvordering zou worden besloten. Dat tijdsverloop, als ook dat sinds 6 januari 2006 is in dit geval niet zodanig dat het College niet langer zijn bevoegdheid tot terugvordering zou mogen uitoefenen.

4.5. Het College heeft in haar besluit van 11 november 2008 het terugvorderingsbedrag gehalveerd, teneinde appellante tegemoet te komen in de lange duur van de besluitvorming inzake de terugvordering. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de door appellante aangevoerde belastende persoonlijke omstandigheden ter zake van haar gezondheid en financiële situatie, geen dringende redenen op grond waarvan het College geheel van terugvordering had moeten afzien. De Raad wijst erop dat uit artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), bezien in samenhang met de artikelen 58 en 60 van de WWB, zoals die artikelen luidden ten tijde hier van belang, volgt dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d Rv.

4.6. Ook in de omstandigheid dat appellante, zoals zij het verwoordt, verder heeft ingeteerd is op haar vermogen dan voor hervatting van bijstand nodig was, levert geen dringende reden op als hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van de Raad is een betrokkene, die na verkrijging van vermogen bijstandsonafhankelijk is geworden, zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop dat vermogen wordt aangewend en in welke mate en tot welk bedrag daarop wordt ingeteerd, en met welke (nog te verwachten) schulden rekening moet worden gehouden, alvorens een beroep te moeten doen op bijstand. Die betrokkene kan daarbij, indien gewenst of noodzakelijk, uit eigen beweging advies vragen aan het College of een derde. Het College was dan ook niet gehouden om appellante op de hoogte te stellen van het moment waarop zodanig op het vermogen was ingeteerd, dat opnieuw bijstand kon worden aangevraagd. Daarbij merkt de Raad op dat het College daartoe ook niet in staat was, nu appellante na 6 januari 2006 nog een aanvullende storting in verband met haar erfdeel verwachtte, en het College na mededeling van de tweede storting niet beschikte over de actuele stand van het vermogen van appellante.

4.7. In hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat het College met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van zijn beleid geheel van terugvordering had moeten afzien. De Raad onderschrijft ten slotte het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het beroep van appellante op de zogenoemde zes-maanden-jurisprudentie. Deze jurisprudentie houdt in dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om kosten van bijstand terug te vorderen in de tijd wordt beperkt indien niet adequaat wordt gereageerd op signalen van een betrokkene waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om tot actie over te gaan. De onderhavige terugvordering ziet op bijstand die is uitbetaald in de periode van 6 januari 2006 tot en met 31 juli 2006. Het terug te vorderen bedrag is na de brief van appellante van 11 augustus 2006 niet verder is opgelopen. Reeds op grond hiervan faalt het beroep op de hier bedoelde rechtspraak. De Raad ziet geen grond voor de door appellante bepleite ruimere uitleg van deze rechtspraak.

4.8. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld zijn uitspraak van 4 november 2005, LJN AU5643) vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of tegen het uitblijven daarvan. De Raad ziet geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. Daarom verwerpt de Raad het betoog van appellante, dat bij de beoordeling van de vraag of de bedoelde redelijke termijn is overschreden gerekend zou moeten worden vanaf het moment van de voltooiing van de afwikkeling van de erfenis. De Raad stelt vervolgens vast dat de procedure vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak afgerond drie jaar heeft geduurd. Daarmee is gegeven dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet is overschreden.

4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.

HD