Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8601

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
10/5078 WUBO + 10/5079 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Causale werkbeëindiging of verminderd dienstvermogen. Ontbreken objectieve medische gegevens. Weigering periodieke uitkeringen op de grond dat er geen objectieve medische gegevens beschikbaar zijn voor causale werkbeëindiging of vermindering van verdienvermogen. Het ontbreken van objectieve bevestiging mocht niet worden tegengeworpen. De geneeskundig adviseur van de PUR heeft aangegeven dat het hier gaat om een consistent, kenmerkend en medisch herkenbaar patroon. Er is voldaan aan de richtlijn dat aan de afwezigheid van objectieve medische gegevens kan worden voorbijgezien indien de causale klachten een duidelijke verklaring zijn voor de problemen in het beroepsmatig functioneren.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5078 WUBO

10/5079 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], Canada (hierna: appellant),

en

1. de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad

2. de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad,

thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 15 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd door de Raadskamer WUBO onderscheidenlijk de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), zijn in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO onderscheidenlijk Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 juni 2010, kenmerk BZ 9415, JZ/E70/2010 (hierna: bestreden besluit 1). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Appellant heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 juni 2010, kenmerk BZ 48737, JZ/E70/2010 (hierna: bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1943 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In september 2008 heeft hij een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en vervolgde en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van de Wubo of de Wuv.

1.2. Bij besluiten van 6 oktober 2009 heeft verweerder aanvaard dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo en hem erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant tijdens de Japanse bezetting, vanaf zijn geboortejaar 1943, geïnterneerd is geweest. De aanvraag is echter voor beide wetten afgewezen.

1.3. Bij bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar van appellant, wat betreft de Wubo, gedeeltelijk gegrond verklaard. Alsnog is aanvaard dat bij appellant sprake is van blijvende psychische invaliditeit. Daarmee is appellant erkend als burger-oorlogsslachtoffer. Hem is met ingang van 1 september 2008 een toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden toegekend. Ten aanzien van de gevraagde periodieke uitkering en vergoedingen is de weigering gehandhaafd.

1.4. Bij bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar wat betreft de Wuv ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Het beroep van appellant spitst zich toe op de weigering om hem op grond van een van beide wetten een periodieke uitkering toe te kennen.

2.2. Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, van de Wubo is voor toekenning van een periodieke uitkering onder meer vereist dat het burger-oorlogsslachtoffer ten gevolge van zijn voor de toepassing van die wet in aanmerking te nemen invaliditeit gedwongen is geweest zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen of blijvend te verminderen.

2.3. Om voor een periodieke uitkering op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv in aanmerking te komen, is vereist dat de vervolgde buiten staat is door arbeid een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de voor de uitkering geldende grondslag. Dit verminderd verdienvermogen moet een gevolg zijn van ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd.

2.4. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder appellant doen onderzoeken door de psychiater J-R. Trudel. Mede op basis van diens rapport heeft verweerders geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas, zich op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van causale invaliditeit, verminderd verdienvermogen of verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten, noch ook van werken tot schade van zijn gezondheid.

2.5. Het bezwaar van appellant is door verweerder om advies voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts G.J. Laatsch. Deze heeft onder meer geconcludeerd dat sprake is van causaal psychisch letsel. Verder komt volgens Laatsch uit het onderzoeksverslag van de psychiater Trudel naar voren dat bij appellant voortdurend autoriteitsconflicten zijn opgetreden. Vanwege deze conflicten is appellant telkenmale ontslagen of nam hij zelf ontslag. Ook zijn laatste vaste baan is in 1990 in een arbeidsconflict geëindigd. Laatsch heeft toegelicht dat bij herbestudering van de aanwezige medische en andere gegevens het beeld opdoemt van een Indisch kampkind van de jongste categorie met een causale persoonlijkheidsstoornis, dat rebellerend en anti-autoritair gedrag vertoonde gedurende vrijwel zijn gehele jeugd en nadien in het arbeidsproces, met steeds aanvaringen en andere banen als gevolg.

2.6. Bij nemen van de bestreden besluiten heeft verweerder zich evenwel op het standpunt gesteld dat er geen objectieve medische gegevens zijn die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van causale werkbeëindiging of causale vermindering van verdienvermogen in de zin van een inkomensknik. Om die reden heeft verweerder het geneeskundig advies van Laatsch niet gevolgd.

2.7. De Raad overweegt dat in gevallen als hier aan de orde, waarin wordt gesteld dat causale werkbeëindiging of vermindering van verdienvermogen heeft plaatsgevonden op een (ver) vóór de aanvraag gelegen tijdstip, in het algemeen de eis mag worden gesteld dat hetgeen de betrokkene daaromtrent verklaart door objectieve medische gegevens wordt ondersteund. Deze eis is echter gelet ook op de richtlijnen die verweerder ter zake heeft vastgesteld niet absoluut. In het geval van appellant heeft de onderzoekend psychiater Trudel, mede aan de hand van een oude brief van appellants vader, vastgesteld dat appellant al vanaf de leeftijd van 3 of 4 jaar problemen heeft ondervonden met het aanvaarden van gezag, welke problemen kort gezegd als een rode draad door zijn jeugd, adolescentie en arbeidsverleden hebben gelopen. Dit laatste spoort met de gedetailleerde gegevens die appellant zelf over zijn steeds wisselende arbeidsrelaties heeft verstrekt. Voor Trudel lijdt het geen twijfel dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis die rechtstreeks op de internering is terug te voeren. Uit de uiteenzettingen van Laatsch komt naar voren dat het hier gaat om een typisch voorbeeld van een samenstel van verschijnselen dat wordt gezien bij personen die hun eerste levensjaren hebben doorgebracht onder omstandigheden zoals in de Japanse kampen gebruikelijk. Er is blijkbaar sprake van een consistent, kenmerkend en medisch herkenbaar beeld, door Laatsch aangeduid als het Indische kampkind van de jongste categorie. Dit beeld voldoet naar het oordeel van de Raad aan de door verweerder gehanteerde richtlijn dat aan het ontbreken van objectieve medische gegevens kan worden voorbijgezien indien kort samengevat de causale klachten een duidelijke verklaring zijn voor de problemen in het beroepsmatig functioneren.

2.8. Het stond verweerder dus niet vrij om wegens het ontbreken van objectieve medische gegevens van het advies van Laatsch af te wijken. De omstandigheid dat appellant na 1990 nog verschillende functies heeft vervuld en pas in 1998 wegens een niet-causale hartaanval definitief met werken is gestopt, maakt dit niet anders. Het betreft hier immers de voortzetting van een reeds vóór 1990 bestaand patroon van voortdurende moeilijkheden met werk en opdrachtgevers. Het ligt voor de hand dat dit appellant blijvend in zijn verdienvermogen heeft geschaad.

2.9. De bestreden besluiten berusten dan ook, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet op een deugdelijke motivering. Om die reden komen zij voor vernietiging in aanmerking. Gelet op de verder door verweerder te verrichten beoordelingen, ziet de Raad thans geen doelmatiger wijze van geschillenbeslechting binnen zijn bereik. Verweerder zal nieuwe beslissingen op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 17 juni 2010;

Draagt verweerder op om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 70,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

S. Werensteijn.

De griffier is buiten staat te tekenen.

RB